Taal oefenen in groep 5
In het kort. Taal in groep 5 gaat over zinsdelen, woorden bouwen, werkwoorden in de tijd. Schoolschrift dekt dat met 21 leerdoelen in 7 hoofdstukken en 120 geschreven opgaven. De stof hangt aan kerndoel 2, 3, 4, 5, 6 uit de set die sinds augustus 2026 geldt en kerndoel 7, 11, 12 uit de set van 2006. Oefenen kan gratis in de browser, zonder account en offline.
Wat leer je bij taal in groep 5?
Zinsdelen
Taalbeschouwing en grammatica · 1F · kerndoel 2026: 6 · kerndoel 2006: 11- De persoonsvorm vinden — Ik kan de persoonsvorm in een zin aanwijzen.
- Het onderwerp vinden — Ik kan het onderwerp van een zin aanwijzen.
- Soorten zinnen — Ik herken of een zin een mededeling, vraag, bevel of uitroep is.
Woorden bouwen
Taalbeschouwing en grammatica · 1F · kerndoel 2026: 6 · kerndoel 2006: 11- Het grondwoord vinden — Ik kan het grondwoord in een langer woord vinden.
- Samengestelde woorden — Ik kan een samengesteld woord in twee losse woorden splitsen.
- Voorvoegsels — Ik herken een voorvoegsel en weet wat het met de betekenis doet.
Werkwoorden in de tijd
Taalbeschouwing en grammatica · 1F · kerndoel 2026: 6 · kerndoel 2006: 11- Het hele werkwoord — Ik kan bij een werkwoord in een zin het hele werkwoord noemen.
- De stam van een werkwoord — Ik kan van een heel werkwoord de stam maken.
- Tegenwoordige of verleden tijd — Ik kan zien of een zin in de tegenwoordige of de verleden tijd staat.
Het woordenboek gebruiken
Woordenschat · 1F · kerndoel 2026: 2, 6 · kerndoel 2006: 12- Op alfabet zoeken — Ik kan woorden op alfabetische volgorde zetten.
- Het trefwoord opzoeken — Ik weet onder welk woord ik iets moet opzoeken in het woordenboek.
- De juiste betekenis kiezen — Ik kan bij een woord met meer betekenissen de juiste kiezen.
Feit of mening?
Argumentatie en bronnen · 1F · kerndoel 2026: 2 · kerndoel 2006: 7- Feit of mening — Ik kan zien of een zin een feit of een mening is.
- Woorden die een mening verraden — Ik herken de woorden waaraan je ziet dat er een mening komt.
- Een argument bij een mening — Ik kan een argument kiezen dat bij een mening past.
Een alinea en een tekst met kop
Schrijven · 1F · kerndoel 2026: 3- Werken met alinea's — Ik weet wat er in een alinea hoort en waar een nieuwe alinea begint.
- Signaalwoorden in een tekst — Ik kan het signaalwoord kiezen dat op die plek in een tekst past.
- De juiste tekstsoort kiezen — Ik kan de tekstsoort kiezen die bij mijn doel past.
Een interview houden
Mondelinge taalvaardigheid · 1F · kerndoel 2026: 4, 5- Een goede interviewvraag — Ik kan een goede vraag kiezen voor een interview.
- Doorvragen op een antwoord — Ik kan doorvragen op wat iemand net verteld heeft.
- De hoofdzaak uit een antwoord halen — Ik kan zeggen waar een antwoord vooral over gaat.
Zes opgaven uit taal in groep 5
Dit zijn opgaven uit de leerlijn zelf; in de app staan er nog 114. Probeer hem eerst, klap dan het antwoord open.
-
Wat is de persoonsvorm in: 'De hond blaft hard naar de postbode.'
- hond
- blaft
- hard
- postbode
Antwoord
blaft — Maak er een vraag van: 'Blaft de hond hard?' — 'blaft' springt vooraan. Dat is de persoonsvorm.
-
Wat is het grondwoord in het woord 'boompje'?
- boom
- pje
- boompjes
- boomp
Antwoord
boom — Haal het stukje '-pje' weg: dan blijft 'boom' over. '-pje' is zelf geen woord, en 'boompjes' is juist langer in plaats van korter.
-
Welk woord is een heel werkwoord?
- fietst
- fietsen
- fiets
- gefietst
Antwoord
fietsen — Een heel werkwoord eindigt op -en, dus 'fietsen'. 'Fietst' is de vorm bij hij of zij, en 'gefietst' is een vorm met 'ge-' ervoor.
-
Welk woord staat het eerst in het woordenboek?
- muis
- kaas
- tafel
- raam
Antwoord
kaas — Zet de eerste letters op alfabet: k, m, r, t. De k komt het vroegst, dus 'kaas' staat vooraan. De lengte van het woord maakt niets uit.
-
Welke zin is een mening?
- Onze school heeft acht lokalen.
- Voetbal is de leukste sport die er is.
- De les begint om half negen.
- Het regende gisteren de hele dag.
Antwoord
Voetbal is de leukste sport die er is. — Of voetbal het leukst is, kun je nergens opzoeken; iemand anders vindt iets anders. De andere drie zinnen kun je wel nakijken.
-
Welke zin hoort niet in deze alinea?
- De egel is een klein dier met stekels op zijn rug.
- Hij slaapt overdag en zoekt 's nachts eten.
- Mijn oom heeft een nieuwe auto gekocht.
- Bij gevaar rolt de egel zich op tot een bal.
Antwoord
Mijn oom heeft een nieuwe auto gekocht. — Alle zinnen gaan over de egel, behalve die over de auto van oom. Een alinea gaat over een onderwerp, dus die zin hoort er niet bij.
Hoe oefen je dit in Schoolschrift?
Volg de lessen per leerdoel
Elk hoofdstuk bestaat uit zes lessen: één per leerdoel, twee gemengde lessen en een hoofdstuktoets. Voor elk nieuw leerdoel legt de coach eerst uit wat je gaat leren en doet één opgave helemaal voor.
Haal de hoofdstuktoets
Het volgende hoofdstuk gaat open zodra de hoofdstuktoets met minstens 80% gehaald is; wie de stof al kent, kan met één toets vooruitspringen.
Blijf herhalen
Herhaling loopt per leerdoel en blijft binnen dit vak en binnen stof die al langs is gekomen.