In het kort. Taal & Lezen op referentieniveau 2F gaat over tekststructuur en samenvatten, tekstsoorten en publiek, zinsdelen en zinsvormen. Schoolschrift dekt dat met 30 leerdoelen in 10 hoofdstukken en 144 geschreven opgaven. De stof hangt aan kerndoel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 uit de set die sinds augustus 2026 geldt en kerndoel 4, 6, 7, 11, 12 uit de set van 2006. Oefenen kan gratis in de browser, zonder account en offline.
Tekststructuur en samenvatten
Begrijpend lezen · 2F · kerndoel 2026: 2 · kerndoel 2006: 4, 6, 7
- De opbouw van een tekst herkennen — Ik herken inleiding, kern en slot en kan de kernzin van een alinea aanwijzen.
- Een tekst samenvatten — Ik kan een tekst in eigen woorden kort samenvatten.
- Hoofdzaken en bijzaken — Ik kan onderscheid maken tussen hoofdzaken (belangrijk) en bijzaken (details, voorbeelden).
Tekstsoorten en publiek
Begrijpend lezen · 2F · kerndoel 2026: 2 · kerndoel 2006: 4, 6, 7
- Het doel van een tekst bepalen — Ik kan het hoofddoel van een tekst benoemen: informeren, overtuigen, instrueren of onderhouden.
- De doelgroep van een tekst herkennen — Ik kan aan het taalgebruik zien voor wie een tekst waarschijnlijk is geschreven.
- Betrouwbaarheid van een bron: de eerste stap — Ik kan een eerste inschatting maken van hoe betrouwbaar een bron is.
Zinsdelen en zinsvormen
Taalbeschouwing en grammatica · 2F · kerndoel 2026: 6 · kerndoel 2006: 11
- De bijwoordelijke bepaling — Ik kan een bijwoordelijke bepaling van tijd, plaats of reden aanwijzen.
- Nevenschikking en onderschikking — Ik kan een nevengeschikte van een ondergeschikte samengestelde zin onderscheiden.
- Woordvolgorde in een vraagzin — Ik kan de juiste woordvolgorde in een vraagzin toepassen.
Figuurlijk en gepast taalgebruik
Woordenschat · 2F · kerndoel 2026: 2, 6 · kerndoel 2006: 12
- Figuurlijk taalgebruik — Ik herken figuurlijk taalgebruik en kan uitleggen wat het letterlijk zou betekenen.
- Formeel en informeel taalgebruik — Ik pas mijn taalgebruik aan op wie ik aanspreek: formeel of informeel.
- De lading van een woord — Ik weet dat woorden met (bijna) dezelfde betekenis een andere lading kunnen hebben.
Bronnen vergelijken
Argumentatie en bronnen · 2F · kerndoel 2026: 2 · kerndoel 2006: 7
- Auteur, datum en doel van een bron — Ik kan bij een bron vaststellen wie de auteur is, wanneer die geschreven is en met welk doel.
- Soorten bronnen onderscheiden — Ik kan onderscheid maken tussen een bron van een expert, een mening en reclame.
- Tegenstrijdige informatie signaleren — Ik kan zien wanneer twee bronnen elkaar tegenspreken.
Brieven en verslagen schrijven
Schrijven · 2F · kerndoel 2026: 3
- Opbouw van een brief of e-mail — Ik ken de opbouw van een brief of e-mail: aanhef, kern en afsluiting.
- Objectief verslagen — Ik weet dat een verslag objectief en volgens een vaste structuur is opgebouwd.
- De eigen tekst nakijken — Ik controleer en verbeter mijn eigen tekst voordat ik hem inlever.
Een recensie schrijven
Schrijven · 2F · kerndoel 2026: 3
- De opbouw van een recensie — Ik kan een recensie schrijven met een korte samenvatting en een oordeel.
- Een oordeel onderbouwen — Ik kan mijn oordeel in een recensie onderbouwen met concrete argumenten.
- Sterke en zwakke punten benoemen — Ik kan in een recensie zowel sterke als zwakke punten benoemen, ook al is mijn eindoordeel positief of negatief.
Een presentatie voorbereiden en houden
Mondelinge taalvaardigheid · 2F · kerndoel 2026: 4, 5
- De opbouw van een presentatie — Ik kan een presentatie opbouwen met een inleiding, kern en afsluiting.
- Visuele ondersteuning gebruiken — Ik weet hoe ik sheets goed gebruik als ondersteuning bij een presentatie.
- Stem en houding bij het spreken — Ik weet hoe stem en houding bijdragen aan een goede presentatie.
Verhaal, perspectief en thema
Literatuur · 2F · kerndoel 2026: 8, 9
- Verhaalelementen — Ik herken de basiselementen van een verhaal: personages, plek, tijd en probleem.
- Vertelperspectief — Ik herken vanuit welk perspectief een verhaal verteld wordt.
- Onderwerp versus thema — Ik kan het thema (de diepere boodschap) van een verhaal onderscheiden van het onderwerp.
Spanning en stijl in een verhaal
Literatuur · 2F · kerndoel 2026: 8, 9
- Spanningsopbouw in een verhaal — Ik kan aanwijzen hoe spanning in een verhaal wordt opgebouwd.
- Vertelperspectief: ik-verteller en alwetend — Ik kan het verschil tussen een ik-verteller en een alwetende verteller herkennen.
- Stijlmiddelen herkennen — Ik kan de stijlmiddelen vergelijking en herhaling in een tekst herkennen.
Elk hoofdstuk bestaat uit zes lessen: één per leerdoel, twee gemengde lessen en een hoofdstuktoets. Voor elk nieuw leerdoel legt de coach eerst uit wat je gaat leren en doet één opgave helemaal voor. Het volgende hoofdstuk gaat open zodra de hoofdstuktoets met minstens 80% gehaald is; wie de stof al kent, kan met één toets vooruitspringen. Herhaling loopt per leerdoel en blijft binnen dit vak en binnen stof die al langs is gekomen.