In het kort. Taal & Lezen in groep 7 gaat over tekststructuur herkennen, tussen de regels lezen, zinsdelen. Schoolschrift dekt dat met 45 leerdoelen in 15 hoofdstukken en 252 geschreven opgaven. De stof hangt aan kerndoel 2, 3, 4, 5, 6 uit de set die sinds augustus 2026 geldt en kerndoel 4, 6, 7, 11, 12 uit de set van 2006. Oefenen kan gratis in de browser, zonder account en offline.
Tekststructuur herkennen
Begrijpend lezen · 1S · kerndoel 2026: 2 · kerndoel 2006: 4, 6, 7
- Inleiding, kern en slot — Ik kan de inleiding, de kern en het slot van een tekst aanwijzen.
- De functie van een alinea bepalen — Ik kan zeggen welke rol een alinea in de tekst speelt.
- Voorspellen waar een tekst over gaat — Ik kan op basis van titel of eerste zin voorspellen waar een tekst over gaat.
Tussen de regels lezen
Begrijpend lezen · 1S · kerndoel 2026: 2 · kerndoel 2006: 4, 6, 7
- Impliciete informatie afleiden — Ik kan informatie afleiden die niet letterlijk in de tekst staat.
- Oorzaak en gevolg in een tekst — Ik kan oorzaak en gevolg in een tekst van elkaar onderscheiden.
- Je leesdoel bepalen — Ik kan bepalen hoe ik moet lezen, afhankelijk van waarom ik lees.
Zinsdelen
Taalbeschouwing en grammatica · 1F · kerndoel 2026: 6 · kerndoel 2006: 11
- De persoonsvorm vinden — Ik kan de persoonsvorm in een zin aanwijzen.
- Het onderwerp vinden — Ik kan het onderwerp van een zin aanwijzen.
- Soorten zinnen — Ik herken of een zin een mededeling, vraag, bevel of uitroep is.
Verwijswoorden, bijzinnen en voegwoorden
Taalbeschouwing en grammatica · 1S · kerndoel 2026: 6 · kerndoel 2006: 11
- Verwijswoorden — Ik kan zien waar een verwijswoord (zoals 'die', 'dat', 'hij', 'ze') naar terugverwijst.
- Hoofdzin en bijzin — Ik herken een bijzin (een zin die niet los kan staan) in een samengestelde zin.
- Voegwoorden en verband — Ik weet welk voegwoord het verband tussen twee zinnen het best uitdrukt.
Woordsoorten: znw, ww, bnw
Taalbeschouwing en grammatica · 1F · kerndoel 2026: 6 · kerndoel 2006: 11
- Het zelfstandig naamwoord — Ik kan een zelfstandig naamwoord (znw) herkennen.
- Het werkwoord — Ik kan een werkwoord herkennen.
- Het bijvoeglijk naamwoord — Ik kan een bijvoeglijk naamwoord herkennen.
Zinsdelen: lijdend voorwerp
Taalbeschouwing en grammatica · 1F · kerndoel 2026: 6 · kerndoel 2006: 11
- Het lijdend voorwerp vinden — Ik kan het lijdend voorwerp in een zin aanwijzen.
- Het meewerkend voorwerp — Ik kan het meewerkend voorwerp herkennen.
- Zinsdelen combineren — Ik kan onderwerp, persoonsvorm en lijdend voorwerp samen in een zin aanwijzen.
Woordsoorten: bijwoord, voorzetsel, lidwoord
Taalbeschouwing en grammatica · 1S · kerndoel 2026: 6 · kerndoel 2006: 11
- Het bijwoord — Ik kan een bijwoord herkennen.
- Het voorzetsel — Ik kan een voorzetsel herkennen.
- Het lidwoord — Ik kan bepaalde en onbepaalde lidwoorden herkennen en correct gebruiken.
Spreekwoorden en gezegdes
Woordenschat · 1S · kerndoel 2026: 2, 6 · kerndoel 2006: 12
- Spreekwoorden begrijpen — Ik kan de betekenis van bekende spreekwoorden uitleggen.
- Uitdrukkingen interpreteren — Ik kan een gezegde in een zin herkennen en uitleggen.
- Woordfamilies herkennen — Ik kan woorden herkennen die van dezelfde stam zijn afgeleid.
Standpunt en argument herkennen
Argumentatie en bronnen · 1S · kerndoel 2026: 2 · kerndoel 2006: 7
- Het standpunt van een schrijver vinden — Ik kan het standpunt (de mening) van een schrijver in een tekst aanwijzen.
- Soorten argumenten — Ik kan onderscheid maken tussen een argument op basis van feiten en een argument op basis van gevoel.
- Taalgebruik om te overtuigen — Ik herken taal die bedoeld is om de lezer te overtuigen.
Zinnen en alinea's bouwen
Schrijven · 1S · kerndoel 2026: 3
- Zinnen combineren — Ik kan korte, simpele zinnen combineren tot één vloeiende samengestelde zin.
- Alinea-indeling — Ik weet dat een nieuwe alinea hoort bij een nieuw (deel)onderwerp.
- Doel en publiek — Ik pas mijn tekst aan op wie hem gaat lezen en waarom ik hem schrijf.
Een duidelijke zin schrijven
Schrijven · 1F · kerndoel 2026: 3
- Een complete zin schrijven — Ik kan een zin schrijven met een onderwerp en een persoonsvorm.
- Hoofdletter en punt — Ik weet wanneer ik een hoofdletter en een leesteken aan het einde van een zin gebruik.
- Een kort berichtje schrijven — Ik kan een kort, duidelijk berichtje schrijven.
Een e-mail schrijven
Schrijven · 1S · kerndoel 2026: 3
- De opbouw van een e-mail — Ik kan een e-mail schrijven met een aanhef, kern en afsluiting.
- Een duidelijke onderwerpregel — Ik kan een e-mail voorzien van een duidelijke onderwerpregel.
- Formeel of informeel afsluiten — Ik kies een passende afsluiting bij een formele of informele e-mail.
Luisteren, gesprek en presenteren
Mondelinge taalvaardigheid · 1S · kerndoel 2026: 4, 5
- Luisteren met een doel — Ik luister met een doel: informatie zoeken, hoofdpunten onthouden, of een mening beoordelen.
- Goed meedoen aan een gesprek — Ik doe actief mee aan een gesprek: ik laat de ander uitpraten en sluit aan op wat gezegd is.
- Een presentatie opbouwen — Ik bouw een presentatie op met een pakkende opening, een duidelijke kern en een afsluiting.
Luisteren en een gesprek voeren
Mondelinge taalvaardigheid · 1F · kerndoel 2026: 4, 5
- Het hoofdpunt van een gesproken tekst onthouden — Ik kan navertellen waar een gesprek of verhaal over ging.
- Op je beurt wachten in een gesprek — Ik weet hoe ik netjes aan het woord kom in een gesprek.
- Een duidelijke vraag stellen — Ik kan een duidelijke vraag stellen als ik iets niet begrijp.
Luisterstrategieën
Mondelinge taalvaardigheid · 1S · kerndoel 2026: 4, 5
- Je voorbereiden op luisteren — Ik kan mezelf voorbereiden op het luisteren naar informatie.
- Hoofd- en bijzaken onderscheiden bij luisteren — Ik kan tijdens het luisteren onderscheid maken tussen hoofd- en bijzaken.
- Aantekeningen maken tijdens het luisteren — Ik kan korte, bruikbare aantekeningen maken tijdens het luisteren.
Elk hoofdstuk bestaat uit zes lessen: één per leerdoel, twee gemengde lessen en een hoofdstuktoets. Voor elk nieuw leerdoel legt de coach eerst uit wat je gaat leren en doet één opgave helemaal voor. Het volgende hoofdstuk gaat open zodra de hoofdstuktoets met minstens 80% gehaald is; wie de stof al kent, kan met één toets vooruitspringen. Herhaling loopt per leerdoel en blijft binnen dit vak en binnen stof die al langs is gekomen.