Taal oefenen in groep 3

In het kort. Taal in groep 3 gaat over woorden in stukjes, soorten zinnen en vraagwoorden, woorden die bij elkaar horen. Schoolschrift dekt dat met 18 leerdoelen in 6 hoofdstukken en 109 geschreven opgaven. De stof hangt aan kerndoel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 uit de set die sinds augustus 2026 geldt en kerndoel 11, 12 uit de set van 2006. Oefenen kan gratis in de browser, zonder account en offline.

Wat leer je bij taal in groep 3?

  • Woorden in stukjes

    Taalbeschouwing en grammatica · 1F · kerndoel 2026: 6 · kerndoel 2006: 11
    • Lettergrepen tellen — Ik kan een woord in stukjes verdelen.
    • Verkleinwoorden — Ik kan zien of een woord iets kleins betekent.
    • Een of meer — Ik weet of een woord over een ding of over meer gaat.
  • Soorten zinnen en vraagwoorden

    Taalbeschouwing en grammatica · 1F · kerndoel 2026: 6 · kerndoel 2006: 11
    • Vertellen, vragen of roepen — Ik weet of een zin iets vertelt, vraagt of roept.
    • Vraagwoorden — Ik weet met welk woord ik iets vraag.
    • Hoofdletter en punt — Ik weet dat een zin met een hoofdletter begint en met een teken eindigt.
  • Woorden die bij elkaar horen

    Woordenschat · 1F · kerndoel 2026: 2, 6 · kerndoel 2006: 12
    • Woorden bij een onderwerp — Ik kan woorden vinden die bij hetzelfde onderwerp horen.
    • Woorden die tegenover elkaar staan — Ik kan bij een woord het tegenovergestelde woord zoeken.
    • Een woord voor een hele groep — Ik ken het woord dat bij een hele groep dingen hoort.
  • Van woorden naar een zin

    Schrijven · 1F · kerndoel 2026: 3
    • Een zin maken — Ik kan van losse woorden een zin maken.
    • Woorden in de goede volgorde — Ik kan de woorden van een zin in de goede volgorde zetten.
    • Een zin afmaken — Ik kan een zin afmaken zodat hij klopt.
  • Goed luisteren en op je beurt praten

    Mondelinge taalvaardigheid · 1F · kerndoel 2026: 4, 5
    • Goed luisteren — Ik kan zeggen waar het over ging als ik geluisterd heb.
    • Op je beurt praten — Ik weet hoe ik netjes aan de beurt kom in een gesprek.
    • Navertellen wat je hoorde — Ik kan in mijn eigen woorden navertellen wat ik hoorde.
  • Een verhaal: begin, midden, eind

    Literatuur · 1F · kerndoel 2026: 8, 9
    • Begin, midden en eind — Ik weet dat een verhaal een begin, een midden en een eind heeft.
    • Wie doet er mee? — Ik kan zeggen wie er meedoen in een verhaal.
    • Waar en wanneer — Ik kan zeggen waar en wanneer een verhaal gebeurt.

Zes opgaven uit taal in groep 3

Dit zijn opgaven uit de leerlijn zelf; in de app staan er nog 103. Probeer hem eerst, klap dan het antwoord open.

  1. Hoeveel lettergrepen heeft het woord tafel?

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    Antwoord

    2 — Klap maar: ta-fel. Dat zijn twee klappen, dus twee lettergrepen.

  2. Welke zin is een vraag?

    • De hond slaapt.
    • Waar is mijn jas?
    • Kom snel!
    • Ik eet brood.
    Antwoord

    Waar is mijn jas? — Bij een vraag wil je iets weten. Daarom staat er een vraagteken achter.

  3. Welk woord hoort bij de keuken?

    • pan
    • fiets
    • boom
    • schoen
    Antwoord

    pan — In de keuken kook je met een pan. Een fiets staat buiten.

  4. Welke rij woorden is een zin?

    • De hond blaft.
    • hond blaft de
    • de op tafel
    • boom groot een
    Antwoord

    De hond blaft. — In deze zin staat wie er iets doet én wat hij doet, in de goede volgorde. In de andere rijen staan de woorden door elkaar, dus het is geen zin.

  5. Wat moeten de kinderen aandoen?

    • laarzen
    • een jas
    • gympen
    • een pet
    Antwoord

    laarzen — De juf noemt laarzen. Over een jas of een pet zegt zij niets.

  6. Wat komt in een verhaal als eerste?

    • het begin
    • het eind
    • het midden
    • de titel
    Antwoord

    het begin — Een verhaal start met het begin. Daarna komt het midden en dan het eind.

Hoe oefen je dit in Schoolschrift?

  1. Volg de lessen per leerdoel

    Elk hoofdstuk bestaat uit zes lessen: één per leerdoel, twee gemengde lessen en een hoofdstuktoets. Voor elk nieuw leerdoel legt de coach eerst uit wat je gaat leren en doet één opgave helemaal voor.

  2. Haal de hoofdstuktoets

    Het volgende hoofdstuk gaat open zodra de hoofdstuktoets met minstens 80% gehaald is; wie de stof al kent, kan met één toets vooruitspringen.

  3. Blijf herhalen

    Herhaling loopt per leerdoel en blijft binnen dit vak en binnen stof die al langs is gekomen.

Begin met taal

Taal in andere leerjaren