Geschiedenis oefenen in groep 5

In het kort. Geschiedenis in groep 5 gaat over de tien tijdvakken, jagers en boeren, Grieken en Romeinen, voor en na Christus. Schoolschrift dekt dat met 30 leerdoelen in 10 hoofdstukken en 154 geschreven opgaven. De stof hangt aan kerndoel 51, 52, 53 uit de set van 2006. Oefenen kan gratis in de browser, zonder account en offline.

Wat leer je bij geschiedenis in groep 5?

  • De tien tijdvakken

    Tijd en tijdvakken · kerndoel 2006: 51, 52, 53
    • De tien tijdvakken op volgorde — Ik ken de tien tijdvakken en weet in welke volgorde ze komen.
    • Eeuwen en jaartallen — Ik weet bij welke eeuw een jaartal hoort.
    • Een tijdlijn lezen — Ik kan aflezen wat eerder en wat later gebeurde op een tijdlijn.
  • Jagers en boeren, Grieken en Romeinen

    Tijd en tijdvakken · kerndoel 2006: 51, 52, 53
    • Van jagers naar boeren — Ik weet wat er veranderde toen mensen boer werden in plaats van jager-verzamelaar.
    • De Griekse oudheid — Ik weet wat de Grieken bedachten dat we nu nog gebruiken.
    • Het Romeinse Rijk — Ik weet wat het Romeinse Rijk was en wat de Romeinen in Nederland achterlieten.
  • Voor en na Christus

    Tijd en tijdvakken · kerndoel 2006: 51, 52, 53
    • Voor Christus en na Christus — Ik weet dat je bij 'voor Christus' terugtelt en bij 'na Christus' vooruit telt.
    • Hoeveel jaar zit ertussen? — Ik kan uitrekenen hoeveel jaar er tussen twee jaartallen zit.
    • Jaartallen door elkaar op volgorde — Ik kan jaartallen van voor en na Christus samen op volgorde zetten.
  • Van jagers naar boeren

    Tijd en tijdvakken · kerndoel 2006: 51, 52, 53
    • Jagers-verzamelaars — Ik weet hoe de eerste mensen in Nederland leefden.
    • De eerste boeren — Ik weet wat er veranderde toen mensen boer werden.
    • Hunebedden — Ik weet wat hunebedden zijn en wie ze bouwde.
  • Het Oude Egypte

    Tijd en tijdvakken · kerndoel 2006: 51, 52, 53
    • Egypte en de Nijl — Ik weet waarom het Oude Egypte langs de Nijl ontstond.
    • Farao's en piramides — Ik weet wie de farao was en waarom piramides gebouwd zijn.
    • Hiërogliefen — Ik weet wat hiërogliefen zijn.
  • De Oude Grieken

    Tijd en tijdvakken · kerndoel 2006: 51, 52, 53
    • Stadstaten: Athene en Sparta — Ik weet wat een stadstaat is en ken twee voorbeelden.
    • Democratie in Athene — Ik weet wat democratie in Athene betekende.
    • Olympische Spelen en Griekse goden — Ik weet wat de Olympische Spelen waren en ken Griekse goden.
  • Het Romeinse Rijk

    Tijd en tijdvakken · kerndoel 2006: 51, 52, 53
    • Een rijk rond de Middellandse Zee — Ik weet hoe groot het Romeinse Rijk op zijn hoogtepunt was.
    • Wegen, water en steden — Ik weet wat de Romeinen bouwden in hun rijk.
    • Latijn, de Romeinse taal — Ik weet dat het Latijn de basis is van veel talen.
  • Romeinen in Nederland

    Tijd en tijdvakken · kerndoel 2006: 51, 52, 53
    • De Limes: de grens van het rijk — Ik weet wat de Limes was en waar die ongeveer liep.
    • Romeinse steden in Nederland — Ik ken plaatsen in Nederland die door de Romeinen zijn gesticht of gebruikt.
    • Wat de Romeinen achterlieten — Ik ken sporen die de Romeinen in Nederland achterlieten.
  • Van Romeinen naar Middeleeuwen

    Tijd en tijdvakken · kerndoel 2006: 51, 52, 53
    • Germaanse stammen — Ik weet dat er buiten het Romeinse Rijk andere volken woonden.
    • Het einde van het West-Romeinse Rijk — Ik weet dat het West-Romeinse Rijk uiteenviel.
    • Op weg naar de Middeleeuwen — Ik weet welk tijdvak volgt op de Romeinse tijd.
  • Bronnen en overblijfselen

    Bronnen en historisch redeneren · kerndoel 2006: 51
    • Wat is een historische bron? — Ik weet wat een bron is en welke soorten bronnen er zijn.
    • Archeologen graven op — Ik weet wat archeologen doen en waarom dat voorzichtig moet gebeuren.
    • Van opgraving naar museum — Ik weet wat er met gevonden voorwerpen gebeurt.

Zes opgaven uit geschiedenis in groep 5

Dit zijn opgaven uit de leerlijn zelf; in de app staan er nog 148. Probeer hem eerst, klap dan het antwoord open.

  1. Welk tijdvak komt direct na 'Ontdekkers en hervormers'?

    • Regenten en vorsten
    • Steden en staten
    • Monniken en ridders
    • Wereldoorlogen
    Antwoord

    Regenten en vorsten — Ontdekkers en hervormers is tijdvak 5 (1500-1600); daarna volgt tijdvak 6, Regenten en vorsten (1600-1700). Steden en staten en Monniken en ridders komen juist eerder.

  2. Waarom gingen mensen op één plek wonen toen ze boer werden?

    • Omdat ze hun gewassen moesten verzorgen
    • Omdat jagen verboden werd
    • Omdat er geen dieren meer waren
    • Omdat de koning dat beval
    Antwoord

    Omdat ze hun gewassen moesten verzorgen — Gewassen verbouwen kost tijd op dezelfde plek — dat paste niet bij rondtrekken.

  3. Wat gebeurde eerder: het jaar 500 voor Christus of het jaar 100 voor Christus?

    • 500 voor Christus
    • 100 voor Christus
    • Ze zijn gelijk
    Antwoord

    500 voor Christus — Voor Christus tel je terug. Een hoger getal ligt dus verder in het verleden: 500 v.Chr. was eerder dan 100 v.Chr.

  4. Waarom trokken jagers-verzamelaars steeds verder?

    • Ze zochten nieuw eten
    • Ze hielden niet van één plek
    • Ze moesten van de koning verhuizen
    Antwoord

    Ze zochten nieuw eten — Als het wild en het eetbare voedsel op een plek op was, trokken ze verder om nieuw voedsel te vinden.

  5. Waarom konden de Egyptenaren goed oogsten, terwijl er om hen heen woestijn lag?

    • De Nijl overstroomde en maakte de grond vruchtbaar
    • Het regende elke dag in Egypte
    • Ze haalden hun eten uit andere landen
    Antwoord

    De Nijl overstroomde en maakte de grond vruchtbaar — De jaarlijkse overstroming van de Nijl bracht vruchtbaar slib mee, waardoor de akkers langs de rivier goed opbrachten.

  6. Wat is een stadstaat?

    • Een stad met een eigen bestuur en eigen wetten, los van andere steden
    • Een stad die door één koning over heel Griekenland regeerde
    • Een stad zonder inwoners
    Antwoord

    Een stad met een eigen bestuur en eigen wetten, los van andere steden — Griekenland was verdeeld in aparte stadstaten die ieder hun eigen regels en bestuur hadden.

Hoe oefen je dit in Schoolschrift?

  1. Volg de lessen per leerdoel

    Elk hoofdstuk bestaat uit zes lessen: één per leerdoel, twee gemengde lessen en een hoofdstuktoets. Voor elk nieuw leerdoel legt de coach eerst uit wat je gaat leren en doet één opgave helemaal voor.

  2. Haal de hoofdstuktoets

    Het volgende hoofdstuk gaat open zodra de hoofdstuktoets met minstens 80% gehaald is; wie de stof al kent, kan met één toets vooruitspringen.

  3. Blijf herhalen

    Herhaling loopt per leerdoel en blijft binnen dit vak en binnen stof die al langs is gekomen.

Begin met geschiedenis

Geschiedenis in andere leerjaren