Geschiedenis oefenen op de onderbouw van het voortgezet onderwijs

In het kort. Geschiedenis op de onderbouw van het voortgezet onderwijs gaat over prehistorie tot Romeinen, dieper; middeleeuwen en vroegmoderne tijd, dieper; verlichting en revoluties: oorzaak en gevolg. Schoolschrift dekt dat met 30 leerdoelen in 10 hoofdstukken en 147 geschreven opgaven. Oefenen kan gratis in de browser, zonder account en offline.

Wat leer je bij geschiedenis op de onderbouw van het voortgezet onderwijs?

  • Prehistorie tot Romeinen, dieper

    Tijdvakken (vo)
    • Het ontstaan van landbouw wereldwijd — Ik weet dat landbouw op meerdere plekken in de wereld apart ontstond.
    • Griekse democratie versus onze democratie — Ik kan de directe democratie van Athene vergelijken met onze representatieve democratie.
    • Bestuur en erfenis van het Romeinse Rijk — Ik ken voorbeelden van de erfenis van het Romeinse Rijk in Nederland en Europa.
  • Middeleeuwen en vroegmoderne tijd, dieper

    Tijdvakken (vo)
    • De hiërarchie van het leenstelsel — Ik kan de lagen van het leenstelsel op volgorde zetten, van koning tot boer.
    • De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden — Ik weet hoe de Republiek bestuurd werd, zonder koning.
    • VOC en WIC — Ik weet wat de VOC en de WIC deden, inclusief de schaduwkanten.
  • Verlichting en revoluties: oorzaak en gevolg

    Tijdvakken (vo)
    • Verlichte ideeën als oorzaak van verandering — Ik kan uitleggen hoe Verlichte ideeën bijdroegen aan revoluties.
    • De Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog — Ik weet wat de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog was.
    • Gevolgen van de Franse Revolutie — Ik kan korte- en langetermijngevolgen van de Franse Revolutie benoemen.
  • Industrialisatie en de wereld rond 1900

    Tijdvakken (vo)
    • Wat de industrialisatie veranderde — Ik kan uitleggen welke veranderingen de industrialisatie met zich meebracht.
    • Steden groeien snel — Ik weet welke gevolgen snelle stadsgroei had.
    • Europese landen breiden uit — Ik weet dat Europese landen rond 1900 gebieden in Afrika en Azië bestuurden.
  • De wereldoorlogen: oorzaken en gevolgen

    Tijdvakken (vo)
    • Oorzaken van de Eerste Wereldoorlog — Ik kan aanleiding en dieperliggende oorzaken van de Eerste Wereldoorlog onderscheiden.
    • Totale oorlog — Ik weet wat kenmerkend was aan de wereldoorlogen als 'totale oorlog'.
    • Gevolgen van de wereldoorlogen — Ik kan gevolgen van de wereldoorlogen op korte en lange termijn benoemen.
  • Dekolonisatie en Europese samenwerking

    Tijdvakken (vo)
    • Kolonies worden onafhankelijk — Ik weet dat kolonies na de Tweede Wereldoorlog onafhankelijk werden.
    • Waarom Europa ging samenwerken — Ik kan uitleggen waarom Europese landen na 1945 gingen samenwerken.
    • Twee ontwikkelingen naast elkaar — Ik weet dat dekolonisatie en Europese samenwerking gelijktijdig plaatsvonden.
  • Historisch denken in de onderbouw

    Historisch redeneren (vo)
    • Standplaatsgebondenheid — Ik weet dat de tijd en plaats waarin iemand leeft, kleurt hoe diegene naar het verleden kijkt.
    • Een bron kritisch lezen — Ik kan bij een bron vragen wie hem maakte, wanneer, en met welk doel.
    • Een historische vraag stellen — Ik kan een onderzoekbare vraag over het verleden formuleren.
  • Bronnenonderzoek

    Historisch redeneren (vo)
    • Feit en interpretatie in een bron — Ik kan in een bron onderscheid maken tussen een feit en een mening of interpretatie.
    • Een spotprent lezen — Ik kan uitleggen wat een spotprent overdrijft en waarom.
    • Een bron in zijn tijd plaatsen — Ik kan een bron beoordelen met kennis van de tijd waarin hij ontstond.
  • Oorzaak en gevolg, verandering en continuïteit

    Historisch redeneren (vo)
    • Oorzaak en gevolg herkennen — Ik kan bij een gebeurtenis oorzaken en gevolgen onderscheiden.
    • Verandering en continuïteit — Ik kan onderscheiden wat er verandert en wat hetzelfde blijft over een langere periode.
    • Oorzaak, gevolg en continuïteit toepassen — Ik kan deze denkvaardigheden toepassen op een historisch voorbeeld.
  • Periodisering: tijdvakken en kenmerken

    Historisch redeneren (vo)
    • Waarom historici periodes onderscheiden — Ik weet waarom historici de geschiedenis in periodes indelen.
    • De tien tijdvakken en andere indelingen — Ik ken naast de tien tijdvakken ook een andere, veelgebruikte indeling.
    • Kenmerkende aspecten van een periode — Ik weet wat een kenmerkend aspect van een periode is.

Zes opgaven uit geschiedenis op de onderbouw van het voortgezet onderwijs

Dit zijn opgaven uit de leerlijn zelf; in de app staan er nog 141. Probeer hem eerst, klap dan het antwoord open.

  1. Landbouw ontstond op maar één plek in de wereld en verspreidde zich vandaar. Waar of niet waar?

    Antwoord

    Niet waar — Landbouw ontstond onafhankelijk van elkaar op meerdere plekken, onder andere in het Midden-Oosten, China en Midden-Amerika.

  2. Boeren stonden bovenaan in het leenstelsel. Waar of niet waar?

    Antwoord

    Niet waar — Boeren en horigen stonden juist onderaan de hiërarchie.

  3. Welke rol speelden Verlichte ideeën bij revoluties eind 18e eeuw?

    • Ze gaven argumenten om onbeperkte macht van vorsten aan te vechten
    • Ze pleitten juist voor meer macht voor de koning
    • Ze hadden geen enkele invloed op revoluties
    Antwoord

    Ze gaven argumenten om onbeperkte macht van vorsten aan te vechten — Ideeën over volkssoevereiniteit en burgerrechten gaven revolutionairen een intellectuele basis om het bestaande gezag ter discussie te stellen.

  4. Wat gebeurde er met veel mensen door de industrialisatie?

    • Ze trokken van het platteland naar de stad om in fabrieken te werken
    • Ze bleven allemaal boer
    • Ze gingen massaal emigreren naar Azië
    Antwoord

    Ze trokken van het platteland naar de stad om in fabrieken te werken — Fabrieken in de steden trokken arbeiders aan, wat leidde tot snelle stedelijke groei.

  5. Wat is het verschil tussen een aanleiding en een dieperliggende oorzaak?

    • Een aanleiding is de directe gebeurtenis vlak vóór iets; een dieperliggende oorzaak speelt al langer
    • Ze betekenen precies hetzelfde
    • Een aanleiding ligt altijd verder terug in de tijd dan een oorzaak
    Antwoord

    Een aanleiding is de directe gebeurtenis vlak vóór iets; een dieperliggende oorzaak speelt al langer — Historici maken onderscheid tussen de directe aanleiding van een gebeurtenis en de oorzaken die al langer aanwezig waren.

  6. Wat gebeurde er na de Tweede Wereldoorlog met veel kolonies?

    • Ze werden onafhankelijk
    • Ze bleven allemaal voor altijd kolonie
    • Ze werden groter dan het land dat ze bestuurde
    Antwoord

    Ze werden onafhankelijk — Na 1945 volgde wereldwijd een golf van dekolonisatie waarbij veel kolonies zelfstandige staten werden.

Hoe oefen je dit in Schoolschrift?

  1. Volg de lessen per leerdoel

    Elk hoofdstuk bestaat uit zes lessen: één per leerdoel, twee gemengde lessen en een hoofdstuktoets. Voor elk nieuw leerdoel legt de coach eerst uit wat je gaat leren en doet één opgave helemaal voor.

  2. Haal de hoofdstuktoets

    Het volgende hoofdstuk gaat open zodra de hoofdstuktoets met minstens 80% gehaald is; wie de stof al kent, kan met één toets vooruitspringen.

  3. Blijf herhalen

    Herhaling loopt per leerdoel en blijft binnen dit vak en binnen stof die al langs is gekomen.

Begin met geschiedenis

Geschiedenis in andere leerjaren