Scheikunde oefenen op het vmbo (nask 2)

In het kort. Scheikunde op het vmbo (nask 2) gaat over atoommodel en periodiek systeem, moleculen en formules, zuren, basen en pH. Schoolschrift dekt dat met 30 leerdoelen in 10 hoofdstukken en 218 geschreven opgaven. Oefenen kan gratis in de browser, zonder account en offline.

Wat leer je bij scheikunde op het vmbo (nask 2)?

  • Atoommodel en periodiek systeem

    Stoffen en materialen
    • Bouw van het atoom — Ik kan protonen, neutronen en elektronen benoemen en hun aantal berekenen.
    • Het periodiek systeem lezen — Ik kan groepen en eigenschappen aflezen uit het periodiek systeem.
    • Elektronenschillen — Ik kan het aantal elektronen in de schillen van een atoom bepalen.
  • Moleculen en formules

    Stoffen en materialen
    • Molecuulformules lezen — Ik kan een molecuulformule lezen en het aantal atomen tellen.
    • Atoombinding en ionbinding — Ik kan het verschil tussen atoombinding en ionbinding uitleggen.
    • Namen en formules van stoffen — Ik ken de namen en formules van veelvoorkomende stoffen.
  • Zuren, basen en pH

    Stoffen en materialen
    • pH, zuren en basen — Ik kan de pH-schaal aflezen en weet wat neutraliseren is.
    • Indicatoren gebruiken — Ik weet welke kleur een indicator geeft bij zuur, base of neutraal.
    • Sterke en zwakke zuren — Ik kan het verschil tussen een sterk en een zwak zuur uitleggen.
  • Concentratie en oplossingen

    Stoffen en materialen
    • Wat is concentratie? — Ik kan uitleggen wat concentratie betekent en dit vergelijken tussen oplossingen.
    • Concentratie berekenen in g/L — Ik kan de concentratie van een oplossing berekenen in gram per liter.
    • Oplossingen verdunnen — Ik kan voorspellen wat er gebeurt met de concentratie als je een oplossing verdunt.
  • Metalen en reactiviteit

    Stoffen en materialen
    • De reactiviteitsreeks van metalen — Ik kan met de reactiviteitsreeks voorspellen welk metaal het snelst reageert.
    • Metaal reageert met zuur — Ik kan beschrijven wat er gebeurt als een metaal met een zuur reageert.
    • Roesten: metaal en zuurstof — Ik kan uitleggen wat roesten is en hoe je het kunt vertragen.
  • Elektrische geleiding en ionen

    Stoffen en materialen
    • Welke stoffen geleiden stroom? — Ik kan voorspellen of een stof elektrische stroom geleidt.
    • Ionen in oplossing — Ik kan uitleggen wat er gebeurt als een zout oplost in water.
    • Een eerste kennismaking met elektrolyse — Ik kan in grote lijnen uitleggen wat elektrolyse is.
  • Verbranding

    Chemische processen
    • Verbranding — Ik weet wat er nodig is voor verbranding en welke stoffen erbij ontstaan.
    • Brandstoffen en het broeikaseffect — Ik kan uitleggen wat brandstoffen gemeen hebben en wat CO₂ met het broeikaseffect te maken heeft.
    • Blussen: de branddriehoek wegnemen — Ik kan uitleggen hoe verschillende bluswijzen de branddriehoek doorbreken.
  • Duurzame chemie en kringlopen

    Chemische processen
    • De koolstofkringloop — Ik kan de koolstofkringloop beschrijven.
    • Duurzame chemie: atoomeconomie en groene chemie — Ik kan uitleggen wat groene chemie en atoomeconomie inhouden.
    • Recycling van grondstoffen — Ik kan uitleggen waarom recycling van grondstoffen chemisch en energetisch zinvol is.
  • Neutralisatie

    Chemische processen
    • Wat gebeurt er bij neutralisatie? — Ik kan uitleggen wat er gebeurt als een zuur en een base reageren.
    • De neutralisatievergelijking opstellen — Ik kan de reactievergelijking van een neutralisatie opschrijven.
    • Neutralisatie in het dagelijks leven — Ik kan voorbeelden van neutralisatie in het dagelijks leven herkennen.
  • Energie bij reacties: exotherm en endotherm

    Chemische processen
    • Exotherme en endotherme reacties — Ik kan een reactie indelen als exotherm of endotherm.
    • Energie tijdens een reactie — Ik kan uitleggen dat er eerst energie nodig is om een reactie te starten.
    • Energie bij reacties toepassen — Ik kan bij een voorbeeld uit het dagelijks leven aangeven of een reactie exotherm of endotherm is.

Zes opgaven uit scheikunde op het vmbo (nask 2)

Dit zijn opgaven uit de leerlijn zelf; in de app staan er nog 212. Probeer hem eerst, klap dan het antwoord open.

  1. Waaruit bestaat de kern van een atoom?

    • Protonen en elektronen
    • Protonen en neutronen
    • Neutronen en elektronen
    • Alleen protonen
    Antwoord

    Protonen en neutronen — De kern bevat protonen (positief) en neutronen (neutraal). De elektronen (negatief) bewegen eromheen.

  2. Wat betekent de formule H₂O?

    • 1 waterstofatoom en 2 zuurstofatomen
    • 2 waterstofatomen en 1 zuurstofatoom
    • 2 watermoleculen
    • 1 zuurstofmolecuul
    Antwoord

    2 waterstofatomen en 1 zuurstofatoom — Het cijfer rechtsonder een symbool geeft het aantal atomen van dat element aan: H₂O heeft 2 H en 1 O.

  3. Een stof heeft pH 2. Dat is:

    • sterk basisch
    • neutraal
    • sterk zuur
    • licht basisch
    Antwoord

    sterk zuur — Onder 7 is zuur, 7 is neutraal, boven 7 basisch. Hoe verder van 7, hoe sterker.

  4. Oplossing A bevat 10 g zout per liter water, oplossing B bevat 40 g zout per liter water. Welke is geconcentreerder?

    • Oplossing A
    • Oplossing B
    • Ze zijn gelijk
    • Dat kun je niet zeggen
    Antwoord

    Oplossing B — Oplossing B bevat per liter meer opgeloste stof, dus is geconcentreerder.

  5. In de reactiviteitsreeks staat kalium boven ijzer. Wat betekent dit?

    • Kalium is zwaarder dan ijzer
    • Kalium reageert heviger dan ijzer
    • Kalium is een niet-metaal
    • IJzer reageert niet
    Antwoord

    Kalium reageert heviger dan ijzer — Hoe hoger een metaal in de reactiviteitsreeks staat, hoe heftiger het reageert, bijvoorbeeld met zuur of zuurstof.

  6. Welke van deze geleidt elektrische stroom het beste?

    • Gedestilleerd water
    • Suikeroplossing
    • Zoutoplossing
    • Suikerkristallen (droog)
    Antwoord

    Zoutoplossing — Een zoutoplossing bevat vrij bewegende ionen, die de stroom kunnen geleiden. Suiker splitst niet in ionen.

Hoe oefen je dit in Schoolschrift?

  1. Volg de lessen per leerdoel

    Elk hoofdstuk bestaat uit zes lessen: één per leerdoel, twee gemengde lessen en een hoofdstuktoets. Voor elk nieuw leerdoel legt de coach eerst uit wat je gaat leren en doet één opgave helemaal voor.

  2. Haal de hoofdstuktoets

    Het volgende hoofdstuk gaat open zodra de hoofdstuktoets met minstens 80% gehaald is; wie de stof al kent, kan met één toets vooruitspringen.

  3. Blijf herhalen

    Herhaling loopt per leerdoel en blijft binnen dit vak en binnen stof die al langs is gekomen.

Begin met scheikunde

Scheikunde in andere leerjaren