Rekenen oefenen op referentieniveau 3F

In het kort. Rekenen op referentieniveau 3F gaat over rente en samengestelde procenten doorrekenen, samengestelde procenten, korting op korting en concentratie. Schoolschrift dekt dat met 30 leerdoelen in 10 hoofdstukken en 272 geschreven opgaven. De stof hangt aan kerndoel 23, 24, 26, 27, 28, 29, 30, 32, 33 uit de set van 2006. Oefenen kan gratis in de browser, zonder account en offline.

Wat leer je bij rekenen op referentieniveau 3F?

  • Rente en samengestelde procenten doorrekenen

    Getallen en bewerkingen · 3F · kerndoel 2006: 26, 27, 28, 29, 30
    • Rente op rente over meerdere jaren — Ik kan een bedrag met samengestelde rente over meerdere jaren berekenen.
    • Gemiddeld percentage over meerdere stappen — Ik weet dat je percentages niet zomaar mag optellen om een totale verandering te vinden.
    • Procentuele verandering terugrekenen naar de beginwaarde — Ik kan bij een eindwaarde en een percentage de oorspronkelijke waarde terugrekenen.
  • Samengestelde procenten

    Verhoudingen en procenten · 3F · kerndoel 2006: 26, 29
    • Btw berekenen — Ik kan de prijs met of zonder btw uitrekenen.
    • Rente berekenen — Ik kan de rente over een jaar berekenen bij een spaarbedrag.
    • Verhouding en dichtheid — Ik kan de dichtheid van een stof berekenen met massa en volume.
  • Korting op korting en concentratie

    Verhoudingen en procenten · 3F · kerndoel 2006: 26, 29
    • Korting op korting berekenen — Ik kan twee opeenvolgende kortingen na elkaar berekenen.
    • Concentratie berekenen — Ik kan het percentage van een stof in een mengsel berekenen.
    • Btw en korting combineren in één prijs — Ik kan een prijs berekenen waar zowel btw als korting op wordt toegepast.
  • Schaal en verhouding in bouwtekeningen

    Verhoudingen en procenten · 3F · kerndoel 2006: 26, 29
    • Schaal aflezen op een bouwtekening — Ik kan met een schaal de echte maat berekenen vanaf een bouwtekening.
    • Werkelijke maten berekenen vanaf een tekening — Ik kan de oppervlakte van een ruimte berekenen met behulp van een bouwtekening en schaal.
    • Verhouding in een mengsel op grote schaal — Ik kan een mengverhouding voor bouwmateriaal opschalen naar een grotere hoeveelheid.
  • Materiaal en kosten berekenen bij een verbouwing

    Verhoudingen en procenten · 3F · kerndoel 2006: 26, 29
    • Materiaalhoeveelheid berekenen vanaf een tekening — Ik kan uitrekenen hoeveel materiaal (bijvoorbeeld tegels) je nodig hebt voor een oppervlakte.
    • Maatvoering controleren met een schaal — Ik kan controleren of een gemeten maat klopt met de schaal van een tekening.
    • Kosten berekenen bij een verbouwing — Ik kan de totale kosten berekenen door oppervlakte te vermenigvuldigen met een prijs per m².
  • Samengestelde oppervlakte en inhoud

    Meten en meetkunde · 3F · kerndoel 2006: 32, 33
    • Oppervlakte van een samengestelde figuur — Ik kan de oppervlakte van een figuur berekenen die uit meer vormen bestaat.
    • Inhoud van een samengestelde vorm — Ik kan de inhoud berekenen van een vorm die uit meer blokken bestaat.
    • Oppervlakte- en inhoudsmaten omrekenen — Ik kan oppervlaktematen en inhoudsmaten omrekenen.
  • Samengestelde lichamen en nauwkeurigheid

    Meten en meetkunde · 3F · kerndoel 2006: 32, 33
    • Inhoud van een samengesteld lichaam — Ik kan de inhoud van een figuur berekenen die uit twee eenvoudige vormen bestaat.
    • Oppervlakte van een samengestelde vorm met afronding — Ik kan de oppervlakte van een samengestelde vorm berekenen en het antwoord passend afronden.
    • Foutmarge en nauwkeurigheid bij een meting — Ik kan uitleggen wat een foutmarge betekent bij een gemeten waarde.
  • Spreiding, kritische blik en formules

    Verbanden · 3F · kerndoel 2006: 23, 24
    • Spreiding: hoe ver liggen de getallen uit elkaar — Ik kan zeggen hoe groot de spreiding in een groep getallen is.
    • Kritisch kijken naar een grafiek — Ik kan zien of een grafiek een eerlijk beeld geeft of misleidend is.
    • Een formule uit het echte leven gebruiken — Ik kan een gegeven formule met woorden of letters gebruiken om iets uit te rekenen.
  • Lineaire verbanden aflezen

    Verbanden · 3F · kerndoel 2006: 23, 24
    • Een lineair verband aflezen uit een grafiek — Ik kan de beginwaarde en de helling van een rechte lijn in een grafiek aflezen.
    • Een lineaire formule opstellen bij een tabel — Ik kan bij een tabel met een gelijkblijvende toename een formule opstellen.
    • Een lineair verband gebruiken om te voorspellen — Ik kan een lineaire formule gebruiken om een waarde buiten de tabel te voorspellen.
  • Exponentiële groei herkennen

    Verbanden · 3F · kerndoel 2006: 23, 24
    • Exponentiële groei herkennen — Ik kan zien of een rijtje getallen exponentieel groeit (steeds met dezelfde factor).
    • Exponentiële groei vergelijken met lineaire groei — Ik kan uitleggen waarom exponentiële groei op de lange termijn sneller gaat dan lineaire groei.
    • Groeifactor berekenen bij een percentage — Ik kan een percentage omzetten naar een groeifactor.

Zes opgaven uit rekenen op referentieniveau 3F

Dit zijn opgaven uit de leerlijn zelf; in de app staan er nog 266. Probeer hem eerst, klap dan het antwoord open.

  1. Je zet € 200 op een spaarrekening met 5% rente per jaar (rente op rente). Hoeveel staat er na 2 jaar? (rond af op hele euro's)

    Antwoord

    221 — Na 1 jaar: 200 × 1,05 = 210. Na 2 jaar: 210 × 1,05 = 220,50, afgerond op hele euro's: 221.

  2. Een broodje kost zonder btw € 2,00. Er komt 9% btw bij. Wat betaal je? (2 decimalen)

    Antwoord

    2,18 — 9% van 2,00 = 0,18. 2,00 + 0,18 = 2,18.

  3. Een tv kost € 500. Eerst 20% korting, daarna nog eens 10% korting over de nieuwe prijs. Wat betaal je?

    Antwoord

    360 — 20% korting: 500 × 0,8 = 400. 10% korting over 400: 400 × 0,9 = 360.

  4. Op een bouwtekening met schaal 1 : 50 is een muur 8 cm lang getekend. Hoe lang is de muur in het echt, in meter?

    Antwoord

    4 — 8 cm × 50 = 400 cm = 4 meter.

  5. Een vloer van 24 m² wordt betegeld met tegels van 0,4 m² per stuk. Hoeveel tegels heb je minimaal nodig?

    Antwoord

    60 — 24 : 0,4 = 60 tegels.

  6. Een figuur bestaat uit een rechthoek van 6 bij 4 m met daarop een driehoek met basis 6 m en hoogte 3 m. Wat is de totale oppervlakte in m²?

    Antwoord

    33 — Rechthoek: 6 × 4 = 24 m². Driehoek: (6 × 3) : 2 = 9 m². Samen: 24 + 9 = 33 m².

Hoe oefen je dit in Schoolschrift?

  1. Volg de lessen per leerdoel

    Elk hoofdstuk bestaat uit zes lessen: één per leerdoel, twee gemengde lessen en een hoofdstuktoets. Voor elk nieuw leerdoel legt de coach eerst uit wat je gaat leren en doet één opgave helemaal voor.

  2. Haal de hoofdstuktoets

    Het volgende hoofdstuk gaat open zodra de hoofdstuktoets met minstens 80% gehaald is; wie de stof al kent, kan met één toets vooruitspringen.

  3. Blijf herhalen

    Herhaling loopt per leerdoel en blijft binnen dit vak en binnen stof die al langs is gekomen.

Begin met rekenen

Rekenen in andere leerjaren