Rekenen oefenen op referentieniveau 2F

In het kort. Rekenen op referentieniveau 2F gaat over kommagetallen vermenigvuldigen en delen, rekenmachine en kommagetallen slim gebruiken, procenten in context. Schoolschrift dekt dat met 38 leerdoelen in 14 hoofdstukken en 292 geschreven opgaven. De stof hangt aan kerndoel 23, 24, 26, 27, 28, 29, 30, 32, 33 uit de set van 2006. Oefenen kan gratis in de browser, zonder account en offline.

Wat leer je bij rekenen op referentieniveau 2F?

  • Kommagetallen vermenigvuldigen en delen

    Getallen en bewerkingen · 2F · kerndoel 2006: 26, 27, 28, 29, 30
    • Vermenigvuldigen met kommagetallen — Ik kan een kommagetal vermenigvuldigen met een heel getal.
    • Delen met kommagetallen — Ik kan een kommagetal delen door een heel getal.
    • Schattend rekenen — Ik kan een slimme schatting maken door handig af te ronden.
  • Rekenmachine en kommagetallen slim gebruiken

    Getallen en bewerkingen · 2F · kerndoel 2006: 26, 27, 28, 29, 30
    • De rekenmachine slim gebruiken — Ik weet in welke volgorde ik bewerkingen moet invoeren en check of de uitkomst logisch is.
    • Kommagetallen vermenigvuldigen in een prijscontext — Ik kan een prijs per stuk vermenigvuldigen met een aantal, ook met kommagetallen.
    • Delen met rest omzetten naar een kommagetal — Ik kan een deling die niet precies uitkomt afmaken met decimalen in plaats van een rest.
  • Procenten in context

    Verhoudingen en procenten · 2F · kerndoel 2006: 26, 29
    • Het geheel vinden bij een percentage — Ik kan uitrekenen hoeveel het geheel is als ik een deel en het percentage ken.
    • Toename en afname in procenten — Ik kan uitrekenen met hoeveel procent iets is gestegen of gedaald.
    • Verdelen in een lastigere verhouding — Ik kan een hoeveelheid verdelen volgens een verhouding met meer delen.
  • Verhoudingen in recepten en prijzen

    Verhoudingen en procenten · 2F · kerndoel 2006: 26, 29
    • Een recept omrekenen — Ik kan een recept omrekenen naar meer of minder personen.
    • Prijs per stuk vergelijken — Ik kan uitrekenen welke aanbieding het voordeligst is per stuk.
    • Verhoudingen mengen in een nieuwe context — Ik kan een mengverhouding toepassen om een grotere hoeveelheid te maken.
  • Korting, toeslag en schatten

    Verhoudingen en procenten · 2F · kerndoel 2006: 26, 29
    • Korting en toeslag combineren — Ik kan een prijs berekenen waar zowel korting als toeslag op zit.
    • Schattend rekenen — Ik kan snel een schatting maken door te ronden voor het rekenen.
    • Afronden op de juiste nauwkeurigheid — Ik kan een getal afronden op tientallen, honderdtallen of decimalen, afhankelijk van de situatie.
  • Inhoud, tijd en snelheid

    Meten en meetkunde · 2F · kerndoel 2006: 32, 33
    • Inhoud van een blok berekenen — Ik kan de inhoud (het volume) van een blokvormig voorwerp berekenen.
    • Snelheid, afstand en tijd — Ik kan snelheid, afstand of tijd berekenen als ik de andere twee weet.
    • Een dienstregeling lezen — Ik kan met een dienstregeling of reisschema rekenen.
  • Inhoud en gewicht omrekenen

    Meten en meetkunde · 2F · kerndoel 2006: 32, 33
    • Inhoud omrekenen — Ik kan milliliter, centiliter en liter omrekenen.
    • Gewicht omrekenen — Ik kan milligram, gram, kilogram en ton omrekenen.
    • Gewicht en inhoud combineren — Ik kan gewicht en inhoud samen gebruiken in een praktische opgave.
  • Meetkunde in de praktijk

    Meten en meetkunde · 2F · kerndoel 2006: 32, 33
    • Een plattegrond lezen — Ik kan met een schaal de echte afmeting van een ruimte op een plattegrond berekenen.
    • Oppervlakte berekenen vanaf een plattegrond — Ik kan de echte oppervlakte van een ruimte berekenen met behulp van een plattegrond en schaal.
    • Route en afstand bepalen op een kaart — Ik kan met een schaal de totale afstand van een route berekenen.
  • Grafieken en rekenmachine

    Verbanden · 2F · kerndoel 2006: 23, 24
    • Een grafiek lezen — Ik kan waardes en trends aflezen uit een lijn- of staafgrafiek.
    • Slim rekenen met de rekenmachine — Ik kan de rekenmachine goed gebruiken, ook bij meerdere stappen.
    • Uitkomsten goed afronden — Ik kan een rekenuitkomst passend afronden, bijvoorbeeld bij geld.
  • Tabellen samenvatten en grafieken interpreteren

    Verbanden · 2F · kerndoel 2006: 23, 24
    • Een tabel samenvatten — Ik kan het maximum, minimum en totaal uit een tabel halen.
    • Een grafiek interpreteren — Ik kan uit een grafiek aflezen of iets toeneemt, afneemt of gelijk blijft.
    • Gegevens uit twee bronnen vergelijken — Ik kan gegevens uit twee tabellen of grafieken naast elkaar leggen en vergelijken.
  • Modellen en vaste recepten

    Denken als een wiskundige · 2F
    • Waarom een model helpt — Ik kan uitleggen waarom een tekening of tabel helpt bij het oplossen van een som.
    • Een vast recept: het algoritme — Ik weet wat een algoritme is en kan een vast rekenrecept stap voor stap volgen.
  • Gereedschap dat meet

    Wiskundetaal en gereedschap · 2F
    • Het juiste meetinstrument — Ik kan het meetinstrument kiezen dat past bij wat ik wil meten.
    • Een schaalverdeling aflezen — Ik kan een schaalverdeling aflezen door eerst te bepalen wat één streepje waard is.
  • Volhouden en vertrouwen

    Wiskundige houding · 2F
    • Vastlopen hoort erbij — Ik kan uitleggen waarom vastlopen bij een som geen teken is dat ik het niet kan.
    • Waar rekenen je voor behoedt — Ik kan uitleggen waarom rekenen je helpt om niet misleid te worden.
  • Rekenen bij andere vakken

    Wiskunde in de wereld · 2F
    • Dezelfde som, ander vak — Ik kan uitleggen waarom dezelfde rekenmanier bij verschillende vakken terugkomt.
    • Eenheden meenemen — Ik kan bij een uitkomst de juiste eenheid noteren en eenheden omrekenen waar dat nodig is.

Zes opgaven uit rekenen op referentieniveau 2F

Dit zijn opgaven uit de leerlijn zelf; in de app staan er nog 286. Probeer hem eerst, klap dan het antwoord open.

  1. 1,5 × 4 =

    Antwoord

    6 — 15 × 4 = 60. Eén cijfer achter de komma in 1,5, dus 6,0 = 6.

  2. Je wilt 5 + 3 × 4 uitrekenen. Wat is de juiste uitkomst?

    • 17
    • 32
    • 12
    • 20
    Antwoord

    17 — Vermenigvuldigen gaat voor optellen: 3 × 4 = 12, dan 5 + 12 = 17.

  3. 20% van een getal is 30. Wat is het hele getal?

    Antwoord

    150 — 20% = 30, dus 1% = 30 : 20 = 1,5. Het hele getal (100%) is 1,5 × 100 = 150.

  4. Een recept voor 4 personen gebruikt 300 gram pasta. Hoeveel gram heb je nodig voor 6 personen?

    Antwoord

    450 — 1 persoon: 300 : 4 = 75 gram. 6 personen: 75 × 6 = 450 gram.

  5. Een fiets kost € 300. Eerst krijg je 10% korting. Daarna komt er 21% btw bij over het nieuwe bedrag. Wat is de eindprijs? (rond af op hele euro's)

    Antwoord

    327 — 10% korting: 300 − 30 = 270. 21% btw erbij: 270 × 1,21 = 326,70, afgerond 327.

  6. Een doos is 4 cm lang, 3 cm breed en 5 cm hoog. Wat is de inhoud in cm³?

    Antwoord

    60 — 4 × 3 × 5 = 60 cm³.

Hoe oefen je dit in Schoolschrift?

  1. Volg de lessen per leerdoel

    Elk hoofdstuk bestaat uit zes lessen: één per leerdoel, twee gemengde lessen en een hoofdstuktoets. Voor elk nieuw leerdoel legt de coach eerst uit wat je gaat leren en doet één opgave helemaal voor.

  2. Haal de hoofdstuktoets

    Het volgende hoofdstuk gaat open zodra de hoofdstuktoets met minstens 80% gehaald is; wie de stof al kent, kan met één toets vooruitspringen.

  3. Blijf herhalen

    Herhaling loopt per leerdoel en blijft binnen dit vak en binnen stof die al langs is gekomen.

Begin met rekenen

Rekenen in andere leerjaren