Nederlands als tweede taal oefenen op niveau B1

In het kort. Nederlands als tweede taal op niveau B1 gaat over een studietekst lezen, hoe iets gemaakt of geregeld wordt, je mening onderbouwen. Schoolschrift dekt dat met 24 leerdoelen in 8 hoofdstukken en 144 geschreven opgaven. Oefenen kan gratis in de browser, zonder account en offline.

Wat leer je bij nederlands als tweede taal op niveau B1?

  • Een studietekst lezen

    Lezen · B1
    • De kernzin van een alinea — Ik kan in een alinea uit een schoolboek de kernzin aanwijzen en in één zin zeggen waar de alinea over gaat.
    • Signaalwoorden wijzen de weg — Ik herken de signaalwoorden in een studietekst en weet wat er na zo'n woord komt: een opsomming, een tegenstelling, een voorbeeld, een gevolg of een samenvatting.
    • Feit, mening en onbekende woorden — Ik kan in een studietekst een feit van een mening onderscheiden, en ik weet drie manieren om erachter te komen wat een onbekend woord betekent.
  • Hoe iets gemaakt of geregeld wordt

    Lezen · B1
    • Wat er gebeurt, zonder dat erbij staat wie — Ik begrijp een zin die alleen zegt wat er gebeurt, ik zie het verschil tussen wordt en is, en ik vind wie de handeling doet als dat erbij staat.
    • De woorden van een instructie — Ik ken de woorden waarmee een instructie of een procedure de stappen, de voorwaarden en de opdrachten aangeeft.
    • Een bijsluiter, een handleiding of een procedure lezen — Ik kan in een bijsluiter, een handleiding of een procedure van school of gemeente vinden wat er moet gebeuren, in welke volgorde en wat er van mij verwacht wordt.
  • Je mening onderbouwen

    Schrijven · B1
    • Standpunt, argument, voorbeeld, conclusie — Ik kan een standpunt innemen en er twee argumenten, een voorbeeld en een conclusie bij geven, hardop en op papier.
    • Enerzijds, anderzijds: afwegen en beoordelen — Ik kan twee kanten van een kwestie tegen elkaar afwegen met woorden als enerzijds, anderzijds, hoewel en toch, en ik zie wanneer een argument zwak is.
    • De man die, het boek dat — Ik kan met die, dat en waar extra informatie aan een woord vastplakken, en ik kies goed tussen die en dat.
  • Een verslag schrijven

    Schrijven · B1
    • Inleiding, kern en slot — Ik kan een verslag van een halve pagina indelen in een inleiding, een kern en een slot, en ik laat elke alinea over één gedachte gaan.
    • Verwijzen zonder te herhalen — Ik kan met deze, die, dat, hij, ze, hierdoor en daarom terugverwijzen naar iets wat ik al geschreven heb, zodat mijn tekst loopt.
    • Spreektaal en schrijftaal — Ik kan spreektaal in mijn verslag vervangen door schrijftaal, en ik weet wanneer ik beter men of een onpersoonlijke zin gebruik dan je.
  • Vaste combinaties: welk voorzetsel hoort erbij?

    Woordenschat · B1
    • Wachten op, denken aan, kijken naar — Ik kan denken aan, wachten op, kijken naar en luisteren naar goed gebruiken, en ik begrijp wat zo'n zin betekent.
    • Praten over, vragen om, zorgen voor — Ik kan praten over, vragen om, zorgen voor, deelnemen aan en twijfelen aan goed gebruiken, en ik begrijp wat iemand met zo'n zin bedoelt.
    • Bang voor, trots op, klaar met — Ik kan zeggen waar ik bang voor ben, trots op ben en klaar mee ben, en ik kan houden van en rekenen op goed gebruiken.
  • Wat er niet letterlijk staat

    Woordenschat · B1
    • Geen zin, ertegenop zien, onder de knie — Ik begrijp gewone uitdrukkingen als geen zin hebben, ergens tegenop zien, uit je dak gaan en iets onder de knie hebben, en ik neem ze niet letterlijk.
    • De knoop doorhakken — Ik begrijp uitdrukkingen over kiezen en beginnen: de kat uit de boom kijken, de knoop doorhakken, met de deur in huis vallen en het roer omgooien.
    • Letterlijk of niet letterlijk? — Ik kan zien of een zin letterlijk of figuurlijk bedoeld is, en ik begrijp een oogje in het zeil houden en iemand de hand boven het hoofd houden.
  • Als het anders was gelopen

    Gesprekken voeren · B1
    • Wat zou jij doen? — Ik kan met zou en zouden zeggen wat ik graag zou willen, wat ik zou doen en wat ik juist niet zou doen.
    • Als ik meer tijd had, zou ik ... — Ik kan met als en zou zeggen wat er zou gebeuren als iets anders was, en ik begrijp zulke zinnen van een ander.
    • Beleefd vragen met zou, en het verschil met wil en ga — Ik kan met zou beleefd iets vragen of aanbieden, en ik weet wanneer ik wil, ga of zou gebruik.
  • Meedoen in de klas en op het werk

    Gesprekken voeren · B1
    • Het woord nemen en teruggeven — Ik kan in een overleg het woord nemen, mijn beurt afmaken als iemand mij onderbreekt, en het woord teruggeven aan een ander.
    • Eerst begrijpen, dan reageren — Ik kan kort samenvatten wat een ander zei voordat ik reageer, en ik kan zeggen dat ik iets niet volg zonder het gesprek plat te leggen.
    • Kritiek op het idee, niet op de persoon — Ik kan het oneens zijn met een plan of een idee zonder de ander aan te vallen, en ik hoor het verschil tussen kritiek op een idee en kritiek op een persoon.

Zes opgaven uit nederlands als tweede taal op niveau B1

Dit zijn opgaven uit de leerlijn zelf; in de app staan er nog 138. Probeer hem eerst, klap dan het antwoord open.

  1. Welke zin uit deze alinea is de kernzin?

    • Nederland beschermt zich op drie manieren tegen het water.
    • Duinen langs de kust houden de zee tegen.
    • Gemalen pompen het regenwater uit de polders weg.
    Antwoord

    Nederland beschermt zich op drie manieren tegen het water. — De kernzin zegt waar de hele alinea over gaat. De andere zinnen noemen elk één van de drie manieren en zijn dus de uitwerking.

  2. Wat gebeurt er vanaf maandag?

    • de fietsenstalling wordt verbouwd
    • de fietsenstalling is al klaar
    • de fietsen worden weggegooid
    Antwoord

    de fietsenstalling wordt verbouwd — Wordt verbouwd betekent dat het werk begint en nog bezig is. Er staat niet wie het doet, en dat hoeft ook niet: voor de lezer telt alleen dat de stalling dicht gaat.

  3. Welke zin uit dit stukje is het voorbeeld?

    • Vorig jaar kwam er fruit bij en werd er meteen minder gesnoept.
    • Ik vind dat de kantine gezonder eten moet verkopen.
    • Wie gezond eet kan zich in de les beter concentreren.
    Antwoord

    Vorig jaar kwam er fruit bij en werd er meteen minder gesnoept. — Een voorbeeld noemt iets wat echt gebeurd is en laat zien dat je argument klopt. De zin met ik vind dat is het standpunt en de zin daarna het argument.

  4. In welk deel van een verslag schrijf je waarom je het onderzoek hebt gedaan?

    • In de inleiding
    • In de kern
    • In het slot
    Antwoord

    In de inleiding — De inleiding vertelt de lezer waar het verslag over gaat en waarom je het schreef. Wat je hebt gedaan komt daarna, in de kern.

  5. Welk woord past in deze zin?

    • op
    • voor
    • aan
    Antwoord

    op — Wachten hoort vast bij op: wachten op de bus, op de dokter, op een antwoord. Ik wacht voor de deur kan wel, maar dat zegt alleen wáár je staat, niet waarop je wacht.

  6. Wat bedoelt deze persoon?

    • Ze wil vanavond niet koken.
    • Ze kan helemaal niet koken.
    • Ze heeft vanavond geen eten in huis.
    Antwoord

    Ze wil vanavond niet koken. — Geen zin hebben betekent dat je iets niet wilt doen. Het zegt niets over kunnen en niets over wat er in de koelkast ligt.

Hoe oefen je dit in Schoolschrift?

  1. Volg de lessen per leerdoel

    Elk hoofdstuk bestaat uit zes lessen: één per leerdoel, twee gemengde lessen en een hoofdstuktoets. Voor elk nieuw leerdoel legt de coach eerst uit wat je gaat leren en doet één opgave helemaal voor.

  2. Haal de hoofdstuktoets

    Het volgende hoofdstuk gaat open zodra de hoofdstuktoets met minstens 80% gehaald is; wie de stof al kent, kan met één toets vooruitspringen.

  3. Blijf herhalen

    Herhaling loopt per leerdoel en blijft binnen dit vak en binnen stof die al langs is gekomen.

Begin met nederlands als tweede taal

Nederlands als tweede taal in andere leerjaren