Nederlands als tweede taal oefenen op niveau A2

In het kort. Nederlands als tweede taal op niveau A2 gaat over op school: de opdracht begrijpen; post van de gemeente en de bank; werk zoeken en solliciteren. Schoolschrift dekt dat met 24 leerdoelen in 8 hoofdstukken en 147 geschreven opgaven. Oefenen kan gratis in de browser, zonder account en offline.

Wat leer je bij nederlands als tweede taal op niveau A2?

  • Op school: de opdracht begrijpen

    Lezen · A2
    • Wat vraagt het opdrachtwoord? — Ik weet wat de opdrachtwoorden in mijn schoolboek van mij vragen: leg uit, beschrijf, vergelijk, noem, vul in, kies, onderstreep, bereken en geef een voorbeeld.
    • Een opdracht met meer stappen — Ik kan een opdracht met meer dan één stap lezen en zeggen wat ik als eerste, als tweede en als laatste moet doen.
    • Vragen wat je moet doen — Ik kan aan de docent vragen wat ik precies moet doen, en ik kan controleren of ik de opdracht goed begrepen heb.
  • Post van de gemeente en de bank

    Lezen · A2
    • De woorden uit een officiële brief — Ik ken de woorden die in een brief van de gemeente, de Belastingdienst, DUO, de zorgverzekeraar of de bank staan.
    • Wat moet ik doen, hoeveel kost het en voor wanneer? — Ik kan in een officiële brief vinden wat ik moet doen, welk bedrag erbij hoort en voor welke datum het klaar moet zijn.
    • Hulp vragen bij post die je niet begrijpt — Ik weet wanneer ik hulp moet vragen bij een brief en waar ik die hulp kan krijgen.
  • Werk zoeken en solliciteren

    Schrijven · A2
    • Een vacature lezen — Ik ken de woorden van werk en ik kan in een vacature vinden wat voor werk het is, hoeveel uur het is en wat je moet kunnen.
    • U of je — Ik weet wanneer ik u zeg en wanneer je, en ik kan een zin van je naar u omzetten.
    • Een korte sollicitatiemail schrijven — Ik kan een korte sollicitatiemail schrijven waarin ik zeg op welke vacature ik reageer, wat ik heb gedaan en wanneer ik kan werken.
  • Er, en andere kleine woorden die alles doen

    Woordenschat · A2
    • Er is, er zijn, er staat — Ik kan met er zeggen dat iets ergens is: er is een brief voor jou, er staat een fiets voor de deur.
    • Ik ga er heen, ik heb er drie — Ik kan met er terugwijzen naar een plaats of naar een aantal, en ik weet wanneer ik daar zeg.
    • Maar, want, dus en de andere kleine woorden — Ik kan met maar, want, dus, ook, toch, al, nog, pas en weer zeggen hoe twee dingen bij elkaar horen.
  • Ergens naartoe: reizen en de weg kwijt

    Luisteren · A2
    • De woorden van het station en de bus — Ik ken de woorden die je nodig hebt om met de trein en de bus te reizen.
    • Het omroepbericht verstaan — Ik begrijp een omroepbericht op het station en in de bus, en ik weet wat ik dan moet doen.
    • Vragen als je het niet volgt — Ik kan om hulp vragen als ik een omroepbericht of een antwoord niet versta, en ik kan vragen waar ik moet overstappen of uitstappen.
  • Je mening geven en een reden noemen

    Gesprekken voeren · A2
    • Zeggen wat je vindt — Ik kan zeggen wat ik van iets vind met ik vind, volgens mij en ik denk dat, en ik kan aan iemand anders vragen wat hij ervan vindt.
    • Ik kom niet omdat ik ziek ben — Ik kan een reden geven met omdat en met dat zeggen wat ik denk, en ik zet het woord dat zegt wat je doet dan achteraan.
    • Het eens of oneens zijn — Ik kan zeggen dat ik het met iemand eens of oneens ben, en ik kan het beleefd zeggen als ik het niet eens ben.
  • Samen een klus doen

    Gesprekken voeren · A2
    • Zullen we? Ik doe wel de rest — Ik kan voorstellen wie wat doet, op een voorstel ja of nee zeggen, en zeggen dat iets me niet lukt of dat ik hulp nodig heb.
    • Doe dit, of: zou je dit willen doen? — Ik kan iemand iets vragen met de korte vorm of met een beleefde vraag, en ik weet welke vorm past bij wie.
    • Kunnen, mogen, moeten en willen — Ik kan zeggen wat ik kan, mag, moet en wil, en ik kan navertellen wie welke taak had.
  • Vertellen wat er gebeurd is

    Spreken · A2
    • Ik werkte, ik woonde — Ik kan bij de meeste werkwoorden zelf de verleden tijd maken: ik werkte, ik woonde.
    • Was, had, ging en kwam — Ik ken de verleden tijd van de werkwoorden die van klank veranderen: was, had, ging, kwam, deed, zei, kon en wilde.
    • Eerst, daarna, ten slotte — Ik kan in een paar zinnen vertellen wat er gebeurd is, met de gebeurtenissen in de goede volgorde.

Zes opgaven uit nederlands als tweede taal op niveau A2

Dit zijn opgaven uit de leerlijn zelf; in de app staan er nog 141. Probeer hem eerst, klap dan het antwoord open.

  1. In je boek staat deze opdracht. Wat moet je doen?

    • Eén ding opschrijven dat gezond is, bijvoorbeeld een appel.
    • Uitleggen waarom mensen gezond moeten eten.
    • Alles opschrijven wat gezond is.
    Antwoord

    Eén ding opschrijven dat gezond is, bijvoorbeeld een appel. — Geef een voorbeeld vraagt om één ding waaraan je het kunt zien. Uitleggen doe je bij leg uit, en alles opschrijven hoeft nooit.

  2. Wat betekent uiterlijk 15 maart betalen?

    • op 15 maart of eerder betalen
    • pas na 15 maart betalen
    • elk jaar op 15 maart betalen
    Antwoord

    op 15 maart of eerder betalen — Uiterlijk betekent: niet later dan. Het geld moet er op 15 maart zijn, maar eerder betalen mag altijd.

  3. Lees deze vacature. Hoeveel uur per week is dit werk?

    • 32 uur per week
    • 14 uur per week
    • 40 uur per week
    Antwoord

    32 uur per week — Achter de plaats staat 32 uur per week. Het getal 14,50 is het salaris per uur, geen aantal uren.

  4. Welke zin is goed?

    • Er is een brief voor jou.
    • Er zijn een brief voor jou.
    • Er is brieven voor jou.
    Antwoord

    Er is een brief voor jou. — Een brief is een ding, dus zeg je er is. Er zijn gebruik je bij meer dingen: Er zijn twee brieven voor jou.

  5. Waar moet u naartoe?

    • naar perron 5
    • naar de uitgang
    • naar het loket
    Antwoord

    naar perron 5 — De trein staat op spoor 5, en het perron met datzelfde nummer is het pad waar je op die trein wacht. Bij spoor 5 hoort dus perron 5.

  6. Je wilt zeggen dat je het werk zwaar vindt. Welke zin zeg je?

    • Ik vind het werk zwaar.
    • Ik vind het werk.
    • Ik zwaar het werk vind.
    Antwoord

    Ik vind het werk zwaar. — Na ik vind zeg je waar het over gaat en dan wat je ervan vindt: het werk zwaar. Zonder dat laatste woord weet niemand wat je vindt.

Hoe oefen je dit in Schoolschrift?

  1. Volg de lessen per leerdoel

    Elk hoofdstuk bestaat uit zes lessen: één per leerdoel, twee gemengde lessen en een hoofdstuktoets. Voor elk nieuw leerdoel legt de coach eerst uit wat je gaat leren en doet één opgave helemaal voor.

  2. Haal de hoofdstuktoets

    Het volgende hoofdstuk gaat open zodra de hoofdstuktoets met minstens 80% gehaald is; wie de stof al kent, kan met één toets vooruitspringen.

  3. Blijf herhalen

    Herhaling loopt per leerdoel en blijft binnen dit vak en binnen stof die al langs is gekomen.

Begin met nederlands als tweede taal

Nederlands als tweede taal in andere leerjaren