Nederlands als tweede taal oefenen op niveau A1
In het kort. Nederlands als tweede taal op niveau A1 gaat over wonen en je huis, afspraken maken en de agenda, een kort bericht schrijven. Schoolschrift dekt dat met 24 leerdoelen in 8 hoofdstukken en 146 geschreven opgaven. Oefenen kan gratis in de browser, zonder account en offline.
Wat leer je bij nederlands als tweede taal op niveau A1?
Wonen en je huis
Lezen · A1- Waar en hoe ik woon — Ik kan vertellen waar en hoe ik woon en ik ken de namen van de kamers in huis.
- Waar staat het? In, op, onder en naast — Ik kan met in, op, onder, boven, naast, tussen, achter en voor zeggen waar iets staat.
- Een advertentie en een bericht over je woning lezen — Ik kan een korte woningadvertentie lezen en een bericht van de woningbouw of de huisbaas begrijpen.
Afspraken maken en de agenda
Schrijven · A1- De maanden en de datum — Ik ken de twaalf maanden en ik kan een datum lezen en opschrijven.
- Vandaag, morgen en volgende week — Ik kan met vandaag, morgen, overmorgen, gisteren, vorige week en volgende week zeggen wanneer iets is, en ik kan een afspraak in mijn agenda schrijven.
- Een afspraak maken, verzetten en afzeggen — Ik kan vragen of een tijd schikt, zeggen dat ik niet kan, en een kort bericht schrijven om een afspraak af te zeggen.
Een kort bericht schrijven
Schrijven · A1- De aanhef en de afsluiting — Ik kan een kort bericht netjes beginnen en eindigen, en ik weet wanneer ik Beste gebruik en wanneer Hallo.
- Morgen kom ik niet — Ik kan een mededeling in de goede volgorde schrijven, ook als de zin met een woord voor de tijd begint.
- Een bericht met een reden — Ik kan een kort bericht schrijven om mijn kind ziek te melden, om te zeggen dat ik later kom of om een afspraak te verzetten, en ik zet er een reden bij.
Boodschappen doen en betalen
Woordenschat · A1- Getallen en prijzen — Ik kan de getallen boven de twintig lezen en zeggen, en ik kan een prijs lezen en uitspreken.
- Vragen en betalen in de winkel — Ik kan in een winkel vragen wat iets kost, om iets vragen en netjes betalen.
- Woorden van de winkel — Ik ken de woorden van de winkel — kassa, geld, briefje, munt, pinnen, bon en korting — en ik kan zeggen dat er meer dan een is: appels, broden.
Eten en drinken
Woordenschat · A1- Woorden voor eten en drinken — Ik ken de woorden voor het gewone eten en drinken en ik kan er een boodschappenlijstje mee maken.
- Ontbijt, lunch en avondeten — Ik weet hoe de drie maaltijden heten en wanneer je ze eet.
- Ik lust wel, ik lust geen — Ik kan zeggen wat ik lust en niet lust, dat ik honger of dorst heb, en ik kan iets bestellen.
Over jezelf en je gezin
Gesprekken voeren · A1- Vertellen wie je bent — Ik kan zelf zinnen maken over mijzelf: hoe ik heet, hoe oud ik ben, waar ik vandaan kom en waar ik woon.
- Wie, wat, waar, hoe en hoeveel — Ik kan vragen stellen met wie, wat, waar, hoe en hoeveel, en ik weet welk antwoord bij welke vraag hoort.
- Over mijn gezin vertellen — Ik ken de woorden voor de mensen in mijn gezin en ik kan over een ander vertellen: hij woont, zij komt.
De dokter en het lichaam
Gesprekken voeren · A1- De delen van je lichaam — Ik ken de woorden voor de delen van mijn lichaam en ik kan zeggen waar ze zitten.
- Ik heb pijn — Ik kan zeggen dat ik ziek ben en waar ik pijn heb.
- Een afspraak bij de huisarts — Ik weet dat ik eerst naar de huisarts ga en ik kan aan de telefoon een afspraak maken.
Over gisteren vertellen
Spreken · A1- Gisteren, vorige week en vorig jaar — Ik ken de woorden voor de tijd die voorbij is en ik kan zeggen wanneer iets was.
- Ik heb gewerkt, ik ben geweest — Ik kan met vaste zinnen zeggen wat ik gedaan heb: ik heb gewerkt, ik ben naar de winkel geweest.
- Wat heb je gisteren gedaan? — Ik kan de vraag Wat heb je gisteren gedaan? beantwoorden met twee zinnen, en ik kan een klein verhaal over gisteren op volgorde zetten.
Zes opgaven uit nederlands als tweede taal op niveau A1
Dit zijn opgaven uit de leerlijn zelf; in de app staan er nog 140. Probeer hem eerst, klap dan het antwoord open.
-
In welke kamer maak je eten klaar?
- de keuken
- de badkamer
- de gang
Antwoord
de keuken — Eten maak je klaar in de keuken. In de badkamer was je je, en de gang is de ruimte waar de kamers op uitkomen.
-
Welke maand komt na juni?
- juli
- mei
- augustus
Antwoord
juli — Na juni komt juli. Mei ligt juist vóór juni, en augustus komt pas na juli.
-
Je schrijft een bericht aan de juf van je kind. Hoe begin je?
- Beste juf Karin,
- Hoi hoi!
- Hee!
Antwoord
Beste juf Karin, — De juf is iemand van de school, dus je begint met Beste en haar naam. Hoi hoi en Hee zijn te gewoon voor een bericht aan school.
-
Welk getal hoor je?
- 21
- 12
- 31
Antwoord
21 — In eenentwintig hoor je eerst een en dan twintig: 21. Twaalf is 12 en eenendertig is 31.
-
Wat drink je?
- melk
- kaas
- brood
Antwoord
melk — Melk is nat: dat drink je. Kaas en brood zijn niet nat: die eet je.
-
Iemand vraagt: Hoe oud bent u? Wat antwoord je?
- Ik ben 34 jaar.
- Ik heet Amir.
- Ik woon in Utrecht.
Antwoord
Ik ben 34 jaar. — Hoe oud vraagt naar je leeftijd, en die zeg je met Ik ben ... jaar. Ik heet ... is je naam en Ik woon in ... is je plaats.
Hoe oefen je dit in Schoolschrift?
Volg de lessen per leerdoel
Elk hoofdstuk bestaat uit zes lessen: één per leerdoel, twee gemengde lessen en een hoofdstuktoets. Voor elk nieuw leerdoel legt de coach eerst uit wat je gaat leren en doet één opgave helemaal voor.
Haal de hoofdstuktoets
Het volgende hoofdstuk gaat open zodra de hoofdstuktoets met minstens 80% gehaald is; wie de stof al kent, kan met één toets vooruitspringen.
Blijf herhalen
Herhaling loopt per leerdoel en blijft binnen dit vak en binnen stof die al langs is gekomen.
Begin met nederlands als tweede taal