Economie oefenen op de havo

In het kort. Economie op de havo gaat over internationale handel: voordelen van specialisatie; marktvormen, elasticiteit en ingrijpen; marktfalen en externe effecten. Schoolschrift dekt dat met 32 leerdoelen in 11 hoofdstukken en 207 geschreven opgaven. De stof hangt aan kerndoel 28 uit de set die sinds augustus 2026 geldt en kerndoel 36 uit de set van 2006. Oefenen kan gratis in de browser, zonder account en offline.

Wat leer je bij economie op de havo?

  • Internationale handel: voordelen van specialisatie

    Schaarste, ruil en handel · kerndoel 2026: 28 · kerndoel 2006: 36
    • Absoluut voordeel — Ik kan uitleggen wat absoluut voordeel is.
    • Comparatief voordeel — Ik kan uitleggen wat comparatief voordeel is en waarom het handel tussen landen voordelig maakt.
    • Rekenen met opportunitykosten bij handel — Ik kan met een eenvoudig voorbeeld bepalen welk land een comparatief voordeel heeft.
  • Marktvormen, elasticiteit en ingrijpen

    Markt: vraag, aanbod en marktvormen · kerndoel 2026: 28 · kerndoel 2006: 36
    • Prijselasticiteit van de vraag — Ik kan uitleggen wanneer vraag gevoelig is voor prijsveranderingen en wanneer niet.
    • Marktvormen: mededinging, oligopolie en monopolie — Ik kan marktvormen indelen naar het aantal aanbieders en de macht die dat geeft.
    • Overheid grijpt in op een markt — Ik kan het effect van een maximumprijs of minimumprijs op een markt uitleggen.
  • Marktfalen en externe effecten

    Markt: vraag, aanbod en marktvormen · kerndoel 2026: 28 · kerndoel 2006: 36
    • Wat is marktfalen? — Ik kan uitleggen wat marktfalen betekent.
    • Externe effecten — Ik kan positieve en negatieve externe effecten herkennen.
    • Hoe de overheid marktfalen kan aanpakken — Ik kan voorbeelden van overheidsmaatregelen tegen marktfalen beschrijven.
  • Rente, inflatie en koopkracht

    Ruilen over de tijd: sparen, lenen en rente · kerndoel 2026: 28 · kerndoel 2006: 36
    • Samengestelde rente — Ik kan uitleggen en berekenen wat samengestelde rente doet over meerdere jaren.
    • Hoe inflatie ontstaat — Ik kan twee oorzaken van inflatie benoemen en uitleggen.
    • Reële en nominale waarde — Ik kan het reële rendement berekenen als ik de nominale rente en de inflatie ken.
  • Investeren: rendement en risico

    Ruilen over de tijd: sparen, lenen en rente · kerndoel 2026: 28 · kerndoel 2006: 36
    • Wat is investeren? — Ik kan uitleggen wat investeren is en het onderscheiden van sparen.
    • Rendement berekenen — Ik kan het rendement van een investering berekenen als percentage.
    • Risico en rendement afwegen — Ik kan uitleggen waarom een hoger verwacht rendement meestal samengaat met een hoger risico.
  • Werkgevers, werknemers en de overheid

    Samenwerken en onderhandelen · kerndoel 2026: 28 · kerndoel 2006: 36
    • Vraag en aanbod van arbeid — Ik kan uitleggen hoe loon als prijs van arbeid tot stand komt.
    • Vakbonden en cao — Ik kan uitleggen wat een cao is en waarom werknemers zich organiseren.
    • Soorten belastingtarieven — Ik ken het verschil tussen een progressief, proportioneel en degressief tarief.
  • Verzekeren en risico

    Risico en informatie · kerndoel 2026: 28 · kerndoel 2006: 36
    • Hoe verzekeren werkt — Ik kan uitleggen hoe premies van veel mensen de schade van enkelen dekken.
    • Als de een meer weet dan de ander — Ik kan uitleggen wat asymmetrische informatie is en wat het voor een markt betekent.
    • Risico spreiden — Ik kan uitleggen waarom spreiden van risico verstandig is.
  • Bbp, verdeling en brede welvaart

    Welvaart, groei en verdeling · kerndoel 2026: 28 · kerndoel 2006: 36
    • Wat het bbp wel en niet meet — Ik kan uitleggen wat het bruto binnenlands product meet en wat het niet meet.
    • Hoe inkomen verdeeld is — Ik kan uitleggen wat een scheve inkomensverdeling betekent.
    • Economie, welvaart en milieu — Ik kan uitleggen wat brede welvaart is en waarom groei en milieu kunnen schuren.
  • Overheid, conjunctuur en risico

    Overheid, conjunctuur en beleid · kerndoel 2026: 28 · kerndoel 2006: 36
    • Overheid, belastingen en collectieve goederen — Ik kan uitleggen waarom sommige zaken door de overheid worden betaald.
    • Conjunctuur en inflatie — Ik kan hoogconjunctuur en laagconjunctuur herkennen en weet wat de centrale bank doet.
    • Soorten werkloosheid — Ik kan drie soorten werkloosheid onderscheiden.
  • Conjunctuurindicatoren: bbp, werkloosheid en prijzen

    Overheid, conjunctuur en beleid · kerndoel 2026: 28 · kerndoel 2006: 36
    • Wat zijn conjunctuurindicatoren? — Ik kan uitleggen welke indicatoren gebruikt worden om de conjunctuur te volgen.
    • Hoog- en laagconjunctuur — Ik kan hoog- en laagconjunctuur aan de hand van indicatoren herkennen.
    • Conjunctuurindicatoren in samenhang lezen — Ik kan bij een beschrijving van indicatoren aangeven of het om hoog- of laagconjunctuur gaat.
  • Rekenen en redeneren met economie

    Economische vaardigheden
    • Ceteris paribus — Ik kan uitleggen waarom economen bij een verband de aanname 'overige omstandigheden gelijk' toevoegen.
    • Procenten, index en reëel — Ik kan rekenen met indexcijfers en het verschil tussen nominaal en reëel toepassen.

Zes opgaven uit economie op de havo

Dit zijn opgaven uit de leerlijn zelf; in de app staan er nog 201. Probeer hem eerst, klap dan het antwoord open.

  1. Land A kan zowel graan als textiel efficiënter produceren dan land B. Land A heeft dan een...

    • absoluut voordeel in beide producten
    • absoluut nadeel in beide producten
    • geen enkel voordeel
    • alleen voordeel in textiel
    Antwoord

    absoluut voordeel in beide producten — Absoluut voordeel betekent dat een land met dezelfde middelen meer van een product kan maken dan een ander land; hier geldt dat voor land A bij beide producten.

  2. Bij welk product zal een prijsstijging waarschijnlijk het minste effect hebben op de gevraagde hoeveelheid?

    • Een luxe vakantie
    • Insuline voor mensen die het nodig hebben
    • Een merkfrisdrank
    • Bioscoopkaartjes
    Antwoord

    Insuline voor mensen die het nodig hebben — Bij een noodzakelijk product zonder alternatief blijft de vraag ongeveer gelijk, ook als de prijs stijgt: de vraag is inelastisch.

  3. Wat betekent marktfalen?

    • De markt werkt precies zoals verwacht en levert het beste resultaat op
    • De markt leidt niet vanzelf tot het meest wenselijke resultaat voor de samenleving als geheel
    • Er is geen markt meer
    • Prijzen zijn altijd te laag
    Antwoord

    De markt leidt niet vanzelf tot het meest wenselijke resultaat voor de samenleving als geheel — Bij marktfalen zorgt het vrije spel van vraag en aanbod niet vanzelf voor een uitkomst die voor de samenleving als geheel het beste is.

  4. Je zet 1.000 euro weg tegen 10% samengestelde rente per jaar en laat de rente staan. Hoeveel staat er na 2 jaar in euro?

    Antwoord

    1210 — Jaar 1: 1000 × 1,10 = 1100. Jaar 2: 1100 × 1,10 = 1210.

  5. Wat is het belangrijkste verschil tussen sparen en investeren?

    • Er is geen verschil
    • Bij investeren neem je meer risico in de hoop op een hoger rendement, bij sparen is het risico meestal klein
    • Investeren is altijd verboden
    • Sparen levert altijd meer op dan investeren
    Antwoord

    Bij investeren neem je meer risico in de hoop op een hoger rendement, bij sparen is het risico meestal klein — Investeren (zoals in aandelen of een bedrijf) brengt meestal meer risico met zich mee dan sparen, maar kan ook een hoger rendement opleveren.

  6. Wat vraagt een werkgever op de arbeidsmarkt?

    • Loon
    • Arbeid
    • Grondstoffen
    • Winst
    Antwoord

    Arbeid — Werkgevers vragen arbeid, werknemers bieden hun arbeid aan. Het loon is de prijs die daarbij hoort.

Hoe oefen je dit in Schoolschrift?

  1. Volg de lessen per leerdoel

    Elk hoofdstuk bestaat uit zes lessen: één per leerdoel, twee gemengde lessen en een hoofdstuktoets. Voor elk nieuw leerdoel legt de coach eerst uit wat je gaat leren en doet één opgave helemaal voor.

  2. Haal de hoofdstuktoets

    Het volgende hoofdstuk gaat open zodra de hoofdstuktoets met minstens 80% gehaald is; wie de stof al kent, kan met één toets vooruitspringen.

  3. Blijf herhalen

    Herhaling loopt per leerdoel en blijft binnen dit vak en binnen stof die al langs is gekomen.

Begin met economie

Economie in andere leerjaren