Aardrijkskunde oefenen

In het kort. Schoolschrift heeft aardrijkskunde in 6 leerjaarbanden, samen 185 leerdoelen. Kies het leerjaar en begin.

Kies een leerjaar

Zes opgaven uit aardrijkskunde op Schoolschrift

Dit zijn opgaven uit de leerlijn zelf; in de app staan er nog 709. Probeer hem eerst, klap dan het antwoord open.

  1. Wat maakt een aardrijkskundige onderzoeksvraag goed?

    • Ze is helder en te onderzoeken met kaarten of data
    • Ze is zo vaag mogelijk
    • Ze heeft niets met plaats te maken
    • Ze is niet te beantwoorden
    Antwoord

    Ze is helder en te onderzoeken met kaarten of data — Een goede onderzoeksvraag kun je daadwerkelijk beantwoorden met kaarten, data of ander onderzoek.

  2. Waar kijk je om te weten wat een symbool op een kaart betekent?

    • De legenda
    • De titel
    • De schaal
    • De windroos
    Antwoord

    De legenda — De legenda legt uit wat kleuren, lijnen en tekens op een kaart betekenen.

  3. Bij een schaal van 1:100.000 stelt 1 cm op de kaart voor:

    • 1 km in werkelijkheid
    • 1 m in werkelijkheid
    • 100 km in werkelijkheid
    • 1 mm in werkelijkheid
    Antwoord

    1 km in werkelijkheid — 1 cm × 100.000 = 100.000 cm = 1 km.

  4. Hoe herken je een landsgrens op een kaart?

    • Als een lijn tussen twee gebieden
    • Als een groene vlek
    • Als een stip
    • Als een pijl
    Antwoord

    Als een lijn tussen twee gebieden — Landsgrenzen worden op een kaart getekend als lijnen.

  5. Wat gebeurt er met de tijd als je naar het oosten reist naar een andere tijdzone?

    • De tijd loopt vooruit (het wordt later)
    • De tijd loopt terug (het wordt vroeger)
    • De tijd blijft precies gelijk
    • De tijd stopt
    Antwoord

    De tijd loopt vooruit (het wordt later) — Naar het oosten reizen betekent dat je de zon eerder ziet opkomen: het is er dus al later.

  6. Een afstand van 5 km moet op een kaart met schaal 1:50.000 gezet worden. Hoeveel cm is dat op de kaart?

    • 10 cm
    • 5 cm
    • 50 cm
    • 1 cm
    Antwoord

    10 cm — 5 km = 500.000 cm. 500.000 : 50.000 = 10 cm.