Latijnse taal en cultuur oefenen in het examenjaar

In het kort. Latijnse taal en cultuur in het examenjaar gaat over stijlfiguren; tekstbegrip: Romeinse auteurs; metrum: de dactylische hexameter. Schoolschrift dekt dat met 30 leerdoelen in 10 hoofdstukken en 197 geschreven opgaven. Oefenen kan gratis in de browser, zonder account en offline.

Wat leer je bij Latijnse taal en cultuur in het examenjaar?

  • Stijlfiguren

    Vormleer en syntaxis
    • Alliteratie — Ik herken alliteratie en weet welk effect dat heeft.
    • Anafoor — Ik herken een anafoor en weet welk effect dat heeft.
    • Hyperbool — Ik herken een hyperbool en weet welk effect dat heeft.
  • Tekstbegrip: Romeinse auteurs

    Vormleer en syntaxis
    • Caesar: militair proza — Ik herken kenmerken van Caesars zakelijke stijl en kan een korte, zelfgemaakte zin in die stijl vertalen.
    • Cicero: redekunst — Ik herken kenmerken van Cicero's retorische stijl, zoals de retorische vraag.
    • Ovidius en Vergilius: dichterlijke taal — Ik herken kenmerken van dichterlijke taal bij Ovidius en Vergilius, zoals de dactylische hexameter en beeldspraak.
  • Metrum: de dactylische hexameter

    Vormleer en syntaxis
    • Lange en korte lettergrepen — Ik kan bepalen of een lettergreep lang of kort is (van nature of door positie).
    • Dactylus en spondeus — Ik ken het ritmepatroon van een dactylus en een spondeus.
    • De hexameter scanderen — Ik ken de opbouw van de dactylische hexameter: zes voeten, meestal dactylus met een spondeus of trochee als laatste voet.
  • Meer stijlfiguren: chiasmus, litotes en tricolon

    Vormleer en syntaxis
    • Chiasmus — Ik herken een chiasmus: een kruisstelling in de woordvolgorde (ABBA).
    • Litotes — Ik herken een litotes: iets bevestigen door het tegendeel te ontkennen.
    • Tricolon — Ik herken een tricolon: een opsomming van drie (vaak oplopende) delen.
  • Livius: geschiedschrijving lezen

    Vormleer en syntaxis
    • Kenmerken van Livius' proza — Ik ken de belangrijkste kenmerken van Livius' verhalende geschiedschrijving.
    • Een korte Livius-achtige zin vertalen — Ik kan een korte zin in de stijl van Livius vertalen.
    • Livius' geschiedenis in context — Ik weet wat voor soort werk Livius schreef en waarom het belangrijk is voor onze kennis van de Romeinse geschiedenis.
  • Vergilius: de Aeneis lezen

    Vormleer en syntaxis
    • Het verhaal van de Aeneis — Ik ken de hoofdlijn van het verhaal van de Aeneis: Aeneas op zoek naar een nieuw vaderland.
    • Epische stijl bij Vergilius — Ik herken kenmerken van de epische stijl: uitgebreide vergelijkingen, vaste epitheta en een verheven toon.
    • Een korte zin uit de Aeneis-stijl vertalen — Ik kan een korte, zelfgemaakte zin in epische stijl vertalen.
  • Ovidius: de Metamorfosen lezen

    Vormleer en syntaxis
    • Het thema van de Metamorfosen — Ik weet dat de Metamorfosen van Ovidius een verzameling verhalen is over gedaanteverwisseling.
    • Ovidius' verteltechniek — Ik herken hoe Ovidius verhalen soepel in elkaar laat overlopen en levendig vertelt.
    • Een korte zin uit de Metamorfosen-stijl vertalen — Ik kan een korte, zelfgemaakte zin over een gedaanteverwisseling vertalen.
  • Cicero: retorische technieken

    Vormleer en syntaxis
    • Overtuigingstechnieken bij Cicero — Ik ken enkele technieken die Cicero gebruikt om zijn publiek te overtuigen.
    • Drieslag en climax in een redevoering — Ik kan een drieslag (tricolon) met climax in een Cicero-achtige zin herkennen.
    • Een korte Cicero-achtige zin vertalen — Ik kan een korte, retorisch opgebouwde zin vertalen.
  • Woordvolgorde en vertaalstrategie in poëzie

    Vormleer en syntaxis
    • Waarom woordvolgorde in poëzie afwijkt — Ik weet dat dichters de woordvolgorde aanpassen om het metrum te laten kloppen.
    • Hyperbaton: gescheiden woorden die bij elkaar horen — Ik herken een hyperbaton: een bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord die uit elkaar staan.
    • Vertaalstappen voor een poëtische zin — Ik kan een vaste aanpak gebruiken om een Latijnse versregel te vertalen.
  • Romeinse geschiedenis en mythologie in de teksten

    Antieke cultuur en receptie
    • Historische context bij de auteurs — Ik kan een tekst plaatsen in de tijd waarin de auteur leefde.
    • Mythologie herkennen in de teksten — Ik herken verwijzingen naar bekende goden en mythes in de gelezen teksten.
    • De nawerking van deze teksten — Ik weet dat verhalen en uitdrukkingen uit deze teksten nog steeds terugkomen in kunst en taal.

Zes opgaven uit Latijnse taal en cultuur in het examenjaar

Dit zijn opgaven uit de leerlijn zelf; in de app staan er nog 191. Probeer hem eerst, klap dan het antwoord open.

  1. Welke stijlfiguur zit in de zelfgemaakte zin 'magna manus militum' (een grote groep soldaten)?

    • Metafoor
    • Alliteratie
    • Hyperbool
    • Chiasmus
    Antwoord

    Alliteratie — De drie woorden beginnen alle met dezelfde m-klank: dat is alliteratie.

  2. Wat is opvallend aan de manier waarop Caesar in zijn 'Commentarii' over zichzelf schrijft?

    • Hij schrijft in de ik-vorm
    • Hij schrijft over zichzelf in de derde persoon, als een objectieve verslaggever
    • Hij gebruikt alleen dialogen
    • Hij schrijft in versvorm
    Antwoord

    Hij schrijft over zichzelf in de derde persoon, als een objectieve verslaggever — Door in de derde persoon te schrijven ('Caesar deed dit...') lijkt het verslag objectiever, ook al is Caesar zelf de auteur.

  3. Wanneer is een lettergreep lang 'door positie'?

    • Als de klinker een tweeklank is
    • Als er twee of meer medeklinkers op volgen
    • Als het de laatste lettergreep is
    • Als het woord lang is
    Antwoord

    Als er twee of meer medeklinkers op volgen — Positielengte ontstaat doordat er twee of meer medeklinkers na de klinker volgen, ook als die klinker zelf kort is.

  4. 'Multi discipuli, magistri pauci.' Wat is hier chiastisch?

    • De volgorde bijvoeglijk-zelfstandig wisselt: eerst bijv.nw+znw, dan znw+bijv.nw
    • Er is geen chiasmus
    • Het rijmt
    • Het is een herhaling
    Antwoord

    De volgorde bijvoeglijk-zelfstandig wisselt: eerst bijv.nw+znw, dan znw+bijv.nw — 'Multi discipuli' (bijv.nw-znw) tegenover 'magistri pauci' (znw-bijv.nw) vormt het kruispatroon ABBA.

  5. Wat is typisch voor Livius' manier van geschiedschrijving?

    • Droge feiten zonder verhaal
    • Een verhalende stijl met dramatische scènes en voorbeeldfiguren
    • Alleen gedichten
    • Uitsluitend brieven
    Antwoord

    Een verhalende stijl met dramatische scènes en voorbeeldfiguren — Livius vertelt de geschiedenis van Rome als een spannend, moraliserend verhaal.

  6. Waar vlucht Aeneas vandaan in de Aeneis?

    • Rome
    • Troje
    • Athene
    • Carthago
    Antwoord

    Troje — Aeneas vlucht uit het brandende Troje na de val van de stad.

Hoe oefen je dit in Schoolschrift?

  1. Volg de lessen per leerdoel

    Elk hoofdstuk bestaat uit zes lessen: één per leerdoel, twee gemengde lessen en een hoofdstuktoets. Voor elk nieuw leerdoel legt de coach eerst uit wat je gaat leren en doet één opgave helemaal voor.

  2. Haal de hoofdstuktoets

    Het volgende hoofdstuk gaat open zodra de hoofdstuktoets met minstens 80% gehaald is; wie de stof al kent, kan met één toets vooruitspringen.

  3. Blijf herhalen

    Herhaling loopt per leerdoel en blijft binnen dit vak en binnen stof die al langs is gekomen.

Begin met Latijnse taal en cultuur

Latijnse taal en cultuur in andere leerjaren