Latijnse taal en cultuur oefenen op de bovenbouw

In het kort. Latijnse taal en cultuur op de bovenbouw gaat over zinsconstructies; derde declinatie en voornaamwoorden; werkwoordvervoeging: perfectum, futurum en coniunctivus. Schoolschrift dekt dat met 30 leerdoelen in 10 hoofdstukken en 168 geschreven opgaven. Oefenen kan gratis in de browser, zonder account en offline.

Wat leer je bij Latijnse taal en cultuur op de bovenbouw?

  • Zinsconstructies

    Vormleer en syntaxis
    • De accusativus cum infinitivo — Ik herken een AcI en weet hoe je die vertaalt.
    • Het participium: vorm en betekenis — Ik herken een participium praesens en een participium perfectum en weet wanneer je welke gebruikt.
    • De ablativus absolutus — Ik herken een ablativus absolutus en kan die soepel vertalen.
  • Derde declinatie en voornaamwoorden

    Vormleer en syntaxis
    • De derde declinatie — Ik kan een substantief van de derde declinatie herkennen en de belangrijkste naamvalsuitgangen toepassen.
    • Aanwijzende en persoonlijke voornaamwoorden — Ik ken de belangrijkste vormen van 'is, ea, id' en 'hic, haec, hoc'.
    • Het wederkerend voornaamwoord 'suus' — Ik weet wanneer je 'suus, -a, -um' gebruikt in plaats van 'eius'.
  • Werkwoordvervoeging: perfectum, futurum en coniunctivus

    Vormleer en syntaxis
    • Het perfectum — Ik herken en vervoeg het perfectum van een regelmatig werkwoord.
    • Het futurum — Ik herken en vervoeg het futurum van een regelmatig werkwoord van de eerste vervoeging.
    • De coniunctivus praesens — Ik herken de coniunctivus praesens en weet dat die vaak een wens uitdrukt of in een bijzin staat.
  • Bijzinnen, woordvolgorde en vertaalstrategie

    Vormleer en syntaxis
    • Bijzinnen herkennen — Ik herken een bijzin aan het voegwoord en weet ongeveer wat voor soort bijzin het is.
    • Woordvolgorde in een Latijnse zin — Ik weet dat de woordvolgorde in het Latijn vrij is en kan een zin in natuurlijk Nederlands vertalen.
    • Een vaste vertaalstrategie — Ik kan een Latijnse zin volgens een vaste volgorde ontleden en vertalen.
  • Deponentia

    Vormleer en syntaxis
    • Deponentia herkennen — Ik herken een deponens: een werkwoord met een passieve vorm maar een actieve betekenis.
    • Deponentia vervoegen — Ik kan een deponens in het praesens vervoegen, net als een gewoon passief werkwoord.
    • Het perfectum van deponentia — Ik kan het perfectum van een deponens vormen en vertalen.
  • Plusquamperfectum en futurum exactum

    Vormleer en syntaxis
    • Het plusquamperfectum — Ik kan het plusquamperfectum vormen en vertalen als 'had ... -d/-t'.
    • Het futurum exactum — Ik kan het futurum exactum vormen en vertalen als 'zal ... hebben'.
    • Tijdsverhouding tussen hoofd- en bijzin — Ik kan aan de werkwoordstijd zien welke handeling eerder plaatsvond.
  • Coniunctivus in de bijzin: cum, ut en si

    Vormleer en syntaxis
    • De cum-zin met coniunctivus — Ik kan een cum-zin met coniunctivus herkennen en vertalen (cum = 'toen' of 'omdat').
    • De ut-zin: doel en gevolg — Ik kan een ut-zin met doel (finaal) of gevolg (consecutief) onderscheiden en vertalen.
    • De si-zin: voorwaarde — Ik kan een si-zin herkennen en het verschil tussen een reële en een irreële voorwaarde vertalen.
  • De nominativus cum infinitivo (NCI)

    Vormleer en syntaxis
    • Het NCI-patroon herkennen — Ik herken de NCI-constructie: een passief werkwoord van zeggen/menen met een nominativus en een infinitivus.
    • Een NCI vertalen — Ik kan een NCI-zin correct in het Nederlands vertalen.
    • NCI versus ACI — Ik kan het verschil tussen een NCI en een ACI benoemen en herkennen in een zin.
  • Gerundium en gerundivum

    Vormleer en syntaxis
    • Het gerundium: een werkwoord als naamwoord — Ik ken de vorm en het gebruik van het gerundium (onzijdig, alleen naamvallen behalve nominativus).
    • Het gerundivum: een bijvoeglijk naamwoord van noodzaak — Ik ken de vorm en het gebruik van het gerundivum: 'moet worden ...'.
    • De gerundivumconstructie met 'esse' — Ik kan een gerundivumconstructie met 'esse' en een dativus auctoris vertalen.
  • De Romeinse wereld

    Antieke cultuur en receptie
    • Romeinse samenleving en nawerking — Ik ken de hoofdlijnen van de Romeinse samenleving en zie die terug in onze eigen wereld.
    • Romeinse mythologie: de belangrijkste goden — Ik ken de belangrijkste Romeinse goden en hun Griekse tegenhangers.
    • Het dagelijks leven in het oude Rome — Ik ken de belangrijkste plekken en gewoonten uit het dagelijks leven van de Romeinen.

Zes opgaven uit Latijnse taal en cultuur op de bovenbouw

Dit zijn opgaven uit de leerlijn zelf; in de app staan er nog 162. Probeer hem eerst, klap dan het antwoord open.

  1. Waarmee begin je de vertaling van een AcI?

    • Met 'om te'
    • Met 'dat'
    • Met 'terwijl'
    • Met 'hoewel'
    Antwoord

    Met 'dat' — Een AcI vertaal je met een dat-zin. De accusativus wordt het onderwerp van die bijzin.

  2. Waaraan herken je dat een woord tot de derde declinatie hoort?

    • De nominativus eindigt op -us
    • De genitivus enkelvoud eindigt op -is
    • Het woord is altijd onzijdig
    • Het heeft geen genitivus
    Antwoord

    De genitivus enkelvoud eindigt op -is — De genitivus-uitgang -is is het herkenningsteken van de derde declinatie.

  3. 'amavimus' is welke persoon?

    • ik
    • wij
    • jullie
    • zij
    Antwoord

    wij — De uitgang -imus is eerste persoon meervoud: 'wij'.

  4. 'Cum Roma discederet, amicos salutavit.' Welk woord opent de bijzin?

    • Roma
    • Cum
    • amicos
    • salutavit
    Antwoord

    Cum — 'Cum' staat vooraan de bijzin; de persoonsvorm 'discederet' staat aan het eind van die bijzin.

  5. 'Loquitur' is een deponens. Wat betekent het?

    • hij wordt gesproken
    • hij spreekt
    • hij is gesproken
    • zij spreken
    Antwoord

    hij spreekt — Een deponens ziet er passief uit maar heeft een actieve betekenis: 'loquitur' is 'hij spreekt'.

  6. Vervoeg 'videre' (perfectumstam vid-) in het plusquamperfectum, hij/zij-vorm: 'hij had gezien'.

    Antwoord

    viderat — Perfectumstam + eram, eras, erat...: vid + erat = viderat.

Hoe oefen je dit in Schoolschrift?

  1. Volg de lessen per leerdoel

    Elk hoofdstuk bestaat uit zes lessen: één per leerdoel, twee gemengde lessen en een hoofdstuktoets. Voor elk nieuw leerdoel legt de coach eerst uit wat je gaat leren en doet één opgave helemaal voor.

  2. Haal de hoofdstuktoets

    Het volgende hoofdstuk gaat open zodra de hoofdstuktoets met minstens 80% gehaald is; wie de stof al kent, kan met één toets vooruitspringen.

  3. Blijf herhalen

    Herhaling loopt per leerdoel en blijft binnen dit vak en binnen stof die al langs is gekomen.

Begin met Latijnse taal en cultuur

Latijnse taal en cultuur in andere leerjaren