In het kort. Duits op niveau A1 gaat over sich vorstellen, schule und Familie, zu Hause. Schoolschrift dekt dat met 30 leerdoelen in 10 hoofdstukken en 107 geschreven opgaven. De stof hangt aan kerndoel 37, 38, 39 uit de set die sinds augustus 2026 geldt en kerndoel 13, 14 uit de set van 2006. Oefenen kan gratis in de browser, zonder account en offline.
Sich vorstellen
Communicatie · kerndoel 2026: 37, 38 · kerndoel 2006: 13, 14
- Begroeten en voorstellen — Ik kan mezelf voorstellen in het Duits.
- Der, die of das — Ik weet dat elk Duits zelfstandig naamwoord een geslacht heeft en waarom dat uitmaakt.
- Zahlen und Uhrzeit — Ik ken de Duitse getallen en kan zeggen hoe laat het is.
Schule und Familie
Communicatie · kerndoel 2026: 37, 38 · kerndoel 2006: 13, 14
- Die Familie — Ik ken woorden voor familie en kan mein/dein gebruiken.
- Meervoud in het Duits — Ik ken de belangrijkste patronen voor het Duitse meervoud.
- In der Schule — Ik ken woorden voor school en schoolvakken.
Zu Hause
Communicatie · kerndoel 2026: 37, 38 · kerndoel 2006: 13, 14
- Kamers in huis — Ik ken de kamers van een huis in het Duits.
- Regelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd — Ik kan een regelmatig Duits werkwoord vervoegen in de tegenwoordige tijd.
- Haben en sein in de tegenwoordige tijd — Ik ken de vervoeging van haben en sein in de tegenwoordige tijd.
Kleidung und Farben
Communicatie · kerndoel 2026: 37, 38 · kerndoel 2006: 13, 14
- Kledingwoorden — Ik ken de belangrijkste kledingwoorden in het Duits.
- Kleuren — Ik ken de basiskleuren in het Duits.
- Ik koop een ... — Ik kan zeggen wat ik koop, met de juiste vorm van 'ein'.
Körper und Gesundheit
Communicatie · kerndoel 2026: 37, 38 · kerndoel 2006: 13, 14
- Lichaamsdelen — Ik ken de belangrijkste lichaamsdelen in het Duits.
- Bij de dokter — Ik kan zeggen dat ik me niet goed voel.
- Möchten — beleefd iets willen — Ik kan beleefd zeggen wat ik graag wil.
In der Stadt
Communicatie · kerndoel 2026: 37, 38 · kerndoel 2006: 13, 14
- Plekken in de stad — Ik ken de belangrijkste plekken in een Duitse stad.
- Waar is het? — neben, in der Nähe von — Ik kan zeggen waar iets in de stad ligt.
- Getallen 20-100 — Ik ken de Duitse getallen tot honderd.
Zeit und Datum
Communicatie · kerndoel 2026: 37, 38 · kerndoel 2006: 13, 14
- Dagen, maanden en datum — Ik ken de Duitse dagen en maanden.
- Hoe laat is het — informeel — Ik kan in het Duits informeel zeggen hoe laat het is.
- Wat doe je wanneer? — Ik kan zeggen wat ik op welke dag doe.
Gefühle und Fragen
Communicatie · kerndoel 2026: 37, 38 · kerndoel 2006: 13, 14
- Gevoelens — Ik ken de belangrijkste gevoelswoorden in het Duits.
- Bijvoeglijk naamwoord na 'sein' — Ik weet dat een bijvoeglijk naamwoord na 'sein' geen uitgang krijgt.
- Vragen stellen met W-woorden — Ik kan een vraag stellen met een W-woord.
Anrede und Grüße
Taal- en cultuurbewustzijn · kerndoel 2026: 39 · kerndoel 2006: 13
- Herr, Frau en aanspreekvormen — Ik weet hoe ik volwassenen formeel aanspreek.
- Groeten in verschillende regio's — Ik weet dat Duitstalige groeten per regio verschillen.
- Winkeltijden en rust — Ik ken een paar Duitse gewoontes rond winkeltijden en rust.
Buchstaben und Besonderheiten
Taal- en cultuurbewustzijn · kerndoel 2026: 39 · kerndoel 2006: 13
- Het ß-teken — Ik weet wanneer je 'ß' schrijft.
- Umlauten ä, ö, ü — Ik weet dat een umlaut de uitspraak en betekenis kan veranderen.
- Een woord spellen — Ik kan vragen hoe een woord geschreven wordt.
Elk hoofdstuk bestaat uit zes lessen: één per leerdoel, twee gemengde lessen en een hoofdstuktoets. Voor elk nieuw leerdoel legt de coach eerst uit wat je gaat leren en doet één opgave helemaal voor. Het volgende hoofdstuk gaat open zodra de hoofdstuktoets met minstens 80% gehaald is; wie de stof al kent, kan met één toets vooruitspringen. Herhaling loopt per leerdoel en blijft binnen dit vak en binnen stof die al langs is gekomen.